Volksgebruiken bij Kerkelijke feesten uit de Brabantse almanak van 1949


Het onderstaand verhaal, geschreven door Dr. H.H. Knippenberg ,laat een transformatie zien van de heidense feesten naar de kerkelijke feesten .

VOLKSGEBRUIKEN BIJ KERKELIJKE FEESTEN .

Niet alleen op kerkelijke verplichte feestdagen werd vroeger de Zondagsrust in acht genomen, daarbuiten kende men ook plaatselijk dagen, waarop men zich even strikt van arbeid onthield als op de vastgestelde.
De kerkwijding-herdenking gaf aanleiding tot het ontstaan van de kermis. Als een gilde zijn beschermheilige herdacht vierden de gildebroeders feest en hieraan nam het hele dorp deel. Men onderhield traditionele bedevaarten, ook naar vrij ver afgelegen plaatsen, en deed die te voet, waarmee soms enige dagen gemoeid waren. Voor het betalen van huur en pacht voor het wisselen van dienstpersoneel, voor verhuizingen had men graag een dag over. De sterke gemeenschapszin deelde in de vreugde bij geboorte, doopsel en huwelijk, waarbij de buurtplicht zich evenzeer gelden deed als in deelneming aan de rouw bij overlijden.
Vele gebruiken zijn in betekenis verzwakt door de afbrokkeling van de maatschappelijke saamhorigheid bij sterke uitbreiding der dorpsgemeenschap of door gemakzucht; andere zijn verdwenen, omdat er van lieverlede misbruiken bij waren ingeslopen, die het voortbestaan onwenselijk maakten, of door gewijzigde tijdsomstandigheden, die het primitief-genoeglijke uitbanden of belachelijk maakten. Met de eenvoud van het gezinsleven week ook de eenvoud in de onderlinge verhoudingen en verdween meteen veel echte gezelligheid, om plaats te maken voorgeforceerde pret en opgeschroefde genotzucht, waaronder het ware geluk verdort.
De wisseling der seizoenen bracht in de volksgebruiken vanzelf de nodige variatie. De landbouw was immers het hoofdmiddel van bestaan de voornaamste welvaartsbron. De vruchtbaarheid van veld en hof besliste grotendeels over de stoffelijke welstand.
Bevordering van die vruchtbaarheid beheerste heel het denken en streven van onze heidense voorvaderen. Hun offerfeesten beoogden vooral de boze geesten, die verderf konden stichten, uit de lucht en de natuur te verdrijven, en de goede geesten gunstig voor zich te stemmen. In de winter, als de stormen raasden, waarin de kwade demonen rondzwierven, maakte zij luid tumult door schreeuwen en slaan en ontstaken zij vuren waarvan de rook de lucht moest zuiveren. Hiervan rest nog iets in het slaan op vruchtbomen en het kletsen met zwepen in de tuinen gedurende de Kersttijd, ook in het schieten met vuurwapenen en het loeien van sirenes in de Oudejaarsnacht. Niemand denkt meer hierbij aan de oorspronkelijke bedoeling; men beschouwt het als een aardigheid, iets uitzonderlijks, een vermaak, evenals het ontsteken van vuren in de velden, zoals de jeugd dat nu doet, bij voorkeur op het feest van Sint Maarten (11 november) , het begin van de winter, waarbij het tumult zich uit in dansen en zingen. Ook het overvloedig gebruik van spijs, vooral vlees en gebak in allerlei vorm, bijzonder dieren en zonnecirkels, en van drank gaat in diepste oorsprong terug op heidense offermalen, waarbij men door overvloedig eten en drinken de goede geesten voor zich zocht te stemmen, opdat zij de velden zouden zegenen.
De uitwerking van die zegening verwachtte men bij het afbreken van de lente en de zomer. Nieuwe feesten hadden plaats: de winter werd uitgebannen, men tooide zich met groen en bloemen. Nu nog werpt de jeugd in sommige streken strooien poppen in het water of verbrandt die onder luid gejuich. De Meiboom als symbool der vruchtbaarheid plant men bij spel en zang, en de Meikoningin treedt op als geprezen schoonheid, gekozen door de opgetogen jeugd een verpersoonlijking van de lentefee, die haar intrede doet in de natuur. De Sint-Jansvuren flakkeren op als zomers vreugde. Wanneer de veldvruchten , vooral het graan, veilig binnengehaald zijn, past andermaal vreugde als dank. Bij, om en op de kar, die de laatste vracht naar huis brengt, vertonen zich de tekenen hiervan in zang, muziek en bonte tooi van siersels. Wie hielpen bij het verzamelen van de oogst en het veilig onder dak brengen, vinden een gul onthaal in een gezellige bijeenkomst met wat smakelijks voor tand en tong en een vrolijke wijs om de benen te roeren over de deel.
Hieruit blijkt reeds, dat sommige volksgebruiken geheel los staan van de kerkelijke feesten, die in dezelfde tijdsperiode vallen, en als oude seizoen festiviteiten moeten beschouw worden. Bij de invoering van het Christendom heeft de Kerk er de heidense kernen uit verwijderd, maar de ontspanning in milde, gekerstende vorm laten bestaan. Tegen bijgelovige praktijken , resten van vroeger heidens denken en gevoelen, trad zij met waarschuwingen en verbodsbepalingen telkens weer op. Kerkelijke wijdingen verbannen het heidens ritueel. Aan de verjonging der natuur koppelde de Kerk vernieuwing van het geestelijk leven. Kerstmis verving het heidense winterfeest. Pasen het heidens lentefeest; Pinksteren vertolkte de zomerjubel evenals het Sint-Jansfeest op 24 juni; Maria Hemelvaart op 15augustus met zijn kruidenwijding de dank voor de oogst; terwijl de kerkelijke feesten vanaf Sint Maarten tot Kerstmis en Nieuwjaar gelegenheid boden om van de zegeningen van oogst en veestapel rijkelijk te genieten.
Naast de zorg voor de oogst houdt de zorg voor het vee de landstand voortdurend bezig. Zoals men met Pasen de gewijde palm op de akker steekt en met de Kruisdagen processiegewijs door de velden trekt om de hemelse bescherming tegen bliksem en hagelslag en storm af te smeken, zo waren sommige heiligen special belast om als bemiddelaars bij God te fungeren tegen veeziekten.
Vooral St. Antonius Abt (17 januari) wordt als patroon van het vee algemeen vereerd. Op sommige plaatsen werd hem vroeger op zijn feestdag vlees geofferd en na de kerkelijke diensten onder de armen verdeeld. De heilige heeft als attribuut een varken, al of niet van een bel voorzien. Het dier kan een aanduiding zijn van de bekoringen, wanneer de vrome kluizenaar blootstond door de machinaties van de duivel, die zich in die gedaante aan hem vertoonde. Mogelijk is ook, dat het attribuut verband houdt met het aanwenden van spek tegen de zogenaamde pestbrand.
De kloosterregel van de Antonieten schreef voor, dat in ieder klooster vele varkens moesten gehouden worden, die omstreeks het feest van de heilige werden geslacht en waarvan het vlees dan onder de armen werd verdeeld. De varkens, die vrij mochten rondlopen, voorzien van ringen en bellen als herkenningsteken, ook wel met gekorte oren, werden mede door de bevolking onderhouden.
Als patroon van het hoornvee wordt vooral de H. Cornelis vereerd (16september). Dit zou verband kunnen houden met zijn naam, want het Latijnse cornu betekend hoorn, hetgeen het volksgeloof kan beïnvloed hebben. Hij wordt dan ook wel afgebeeld met een hoorn in de hand, hoewel de gewone voorstelling hem weergeeft met de bisschopshoed op het hoofd en in de rechterhand een staf. Oude schuttersgilden hebben hem een enkele maal als patroon , evenals in de nieuwere tijd soms in zuivelfabrieken. Op zijn feestdag wordt in sommige kerken brood gezegend dat aan het vee gegeven wordt als voorzorgsmaatregel. Ook mensen gebruiken dit, daar Sint Cornelis ook verering geniet tegen stuipen, kinkhoest, jicht en vallende ziekte . De stuipen heten hier en daar wel St. Corneliusziekte. Of in Noord-Brabant nog St. Cornelius-processievaantjes bestaan, is mij onbekend.
De uitgestrekte heidevlakten en talrijke bossen in Noord-Brabant hebben de H. Hubertus, als patroon der jagers, tot een populaire heilige gemaakt, terwijl hij ook tegen hondsdolheid wordt aangeroepen. Op zijn feestdag (3 november) worden speciale broodjes gewijd, soms in kruisvorm: Huibertjes. Huibjes, Hubkes, ook wel gewoon brood of halve kadetjes, in reeksen aan elkaar gebakken. De bekende liturgist Prof. G. Witlox schreef eens in de Sint Jans-klokken hoe men met het St. Hubertusbrood als voorbeeld de werking en het gebruik der sacramentaliën , door de Kerk ingesteld, duidelijk kan verklaren. Bij de wijding van het brood smeekt de Kerk bij monde van de priester van God bescherming tegen allerlei gevaren en vooral tegen hondsdolheid al voor allen, die dat brood gebruiken zullen. Wanneer wij in sterk vertrouwen en met geloof dit brood eten, heeft de Kerk dus bij het zegeningsgebed ook voor ons gebeden. En ge weet: de Kerk kan, als Bruid van Christus, door haar heilig gebed veel gemakkelijker iets van God verkrijgen dan wij door ons persoonlijk gebed. Als ge dus dit St. Hubertusbrood eet, denkt er dan aan, dat de Kerk ook voor u gebeden heeft, en vertrouwt dus er op, dat ge Gods bescherming genieten zult, als het u zalig is. Als we de sacramentaliën gebruiken en waarderen, zoals de Kerk dat bedoelt, dan is er geen sprake van bijgeloof, wat andersdenkenden er ook van zeggen. Dan is het een daad van Katholiek geloof.
Ook de zegening der meute op de kerkpleinen op St. Hubertus dag is een mooi gebruik , dat verdient in ere gehouden te worden.

Dr. H.H. Knippenberg, Brabantse almanak 1949.