Zedenverwildering in Mill


ZEDENVERWILDERING IN MILL

Mill in de landelijke belangstelling in 1936
door: P. Schoonhoven in Merlet van 1979 nr. 3


Mill in de landelijke belangstelling in 1936.
Dit artikel gaat dus over Mill en over zedenverwildering en wat dies meer zij. Dat moet wat geweest zijn, die zedenverwildering, en dan ook nog die feiten uit de landelijke pers! Maar het is al weer ruim zeventig jaar geleden dat dit zich afspeelde; hoewel, dat is nu ook weer niet zolang terug. Maar de term, zedenverwildering was een geladen woord nietwaar. Waar had dit nu betrekking op? Denkt u niet verkeerd over Mill in die tijd, want het sloeg op dansen.
De tegenwoordige jeugd verplaatst zich tijdens weekends van hot naar her, in het Land van Cuijk en daar buiten om gaan te dansen, onder wat voor benaming dan ook. Kijkt u bijvoorbeeld maar eens op zaterdagavond in Zeeland, waar honderden jongelui zich op die manier vermaken in de plaatselijke dansgelegenheden. Dat het na afloop wel eens uit de hand loopt, nou ja. Het is voor de omwonenden wel flink lastig, maar zedenverwildering, dat hoor je niet meer, hoewel.

Maar terug naar Mill, om precies te zijn in november 1936, ook toen werd er gedanst maar dat werd zeer argwanend bekeken door de ouderen, de kerk en de overheid voorop. En die opwinding want in Mill scheen een min of meer besloten dansgelegenheid te zijn met de schone naam Victoria-club en daar ging het volgens ouderen, niet juist aan toe. Om dat kwaad de kop in te drukken werden er door de vroede vaderen maatregelen getroffen. Helaas voor hen zonder direct resultaat. Dit zou allemaal niet zo bijzonder geweest zijn, ware het niet, dat een landelijk dagblad zich met de zaak ging bemoeien en toen was het hek van de dam .

De onenigheid tussen Het Algemeen Handelsblad en het gemeentebestuur.
Deze krant had lucht gekregen van deze zaak en zag er wel brod in om hierover iets te schrijven. Op vrijdag 13 november 1936 verscheen er van een specialen correspondent onder de kop: Mill heeft wereldstad-allures een artikel over Mill in het algemeen en de danskwestie in het bijzonder in dit blad. Het was een badinerend artikel maar in hun opwinding zag men dat in Mill over het hoofd. Laten we nu eerst eens het gewraakte krantenartikel gaan bekijken.
De correspondent begint met te stellen, dat het genoeglijk rollende leven des gerusten landmans zoals de dichter Poot dat uitbeeldde toch wel aan het veranderen is. Want de techniek gaat niet aan het platteland voorbij en ook daar komt de autobus, die met een snelle vaart naar de stad ijlt. En daar wachten de verlokkingen van bioscoop, cabaret of café met strijkjes. De oudere buiten menschen doen daar weliswaar niet aan mee maar in de jongeren is een nieuwe geest gevaren. Was het voorstaande nog niet schokkend, het gaf wel een idee van de geest van het artikel. De schrijver gaat daarna in op de danskwestie en het dorp Mill, de manier waarop schoot nu bij het gemeentebestuur van Mill in het verkeerde keelgat.
Mill ligt nu volgens deze correspondent in Noord Brabant ten oosten van het oude vestingstadje Grave en men kan de belangrijkheid van deze plaats afmeten aan het feit, dat er nog menschen wonen, die nimmer in een spoortrein gezeten hebben. Zo vindt men er in de Dorpsstraat een wegwijzer, dat Boxmeer 2 uur gaans en Grave anderhalf uur gaans is. De schrijver van het artikel constateert, dat de vooruitgang in Mill nu ook niet zo snel is gegaan aangezien men nog niet begrijpt, dat een automobilist of wielrijder sneller is dan een voetganger. Maar goed, er was vooruitgang, want in Mill was al elektrisch licht en sommige dachten al schuchter over waterleiding. Toch op een punt was de vooruitgang duidelijk merkbaar en dit tot ongenoegen van de ouderen maar tot vreugde van de jongelui in het gehele land van Cuijk. Want 's avonds ziet men langs de landwegen de dwalende lichtjes van tientallen wielrijders, die zich naar Mill spoeden en in het dorpje verneemt men een roezemoezig gerucht, waarboven uit de schelle maar niet bepaald muzikale geluiden van een pierement nadrukkelijk opstijgen.

De Victoria-club.
Op het geluid kwamen nu de jongelui af want dit pierement stond in een dansgelegenheid met de schone naam Victoria-club. Daar ging men naar binnen en ne het betalen van een kwartje werd men toegelaten om te gaan dansen op de tonen van het pierement. Van zwierig dansen was volgens de correspondent geen sprake, want daar was de ruimte niet op berekend. Het was een soort deinen, in dichte wolken tabaksrook en de lucht van bier, onder het meebrullen van de populaire dansliedjes. Volgens de schrijver was het meer een massale lichaamsoefening, men deed er goed aan om stevige klompen aan te trekken in plaats van bottines om gekneusde voeten te vermijden. En dat, vervolgt hij, konden de wijze mannen die het vroedschap van Mill vormen, niet tolereren.
De gemeenteraad van Mill heeft zich uren gebogen over gemeentelijke verordeningen en wettelijke bepalingen om aan het verderf een eind te maken. Men heeft nieuwe bepalingen gemaakt en men heeft voetangels en klemmen gelegd, zij het dan niet in de letterlijke betekenis van het woord.
De veldwachter werd ontboden en er werd een plan-de-campagne ontworpen. Deze veldwachter begaf zich op het oorlogspad verkende ,zich steeds verborgen houdende ,de dansgelegenheid, haalde versterking en deed een inval in de Victoria-club. Daar troffen zij enige honderden jongelui aan, er werden vragen gesteld en ja, er waren onnozele geweest die met sidderende stem hadden verklaard, dat zij van een besloten club nimmer gehoord hadden en slechts een kwartje hadden geofferd om binnen te komen. Hier was dus het bewijs geleverd, de veldwachter gelaste sluiting . En om helemaal zeker te zijn verzegelde hij het orgel.
Tot verbazing van velen werd de club enige dagen later in een andere gelegenheid weer geopend. De bezoekers, meer dan voorheen, stroomden weer toe en ontvingen kaartjes, waarop duidelijk stond aan gegeven dat zij lid waren van een besloten club á raison van een kwartje contributie en met de bepaling, dat iedere verzuimde dansles tot een boete van één cent leidde. Dit laatste was een ware puzzel, want de contributie was verschuldigd voor iedere les avond. De veldwachter stond perplex, maar zijn woede kende geen grenzen, toen hij het welbekende geluid van het verzegelde orgel boven alles uit hoorde. Hij kon slechts constateren, dat het zegel onbeschadigd was, het orgel was gewoon verplaatst.
De correspondent van het Algemeen Handelsblad besluit zijn artikel met te vermelden, dat de ondernemer van de Victoria-club gaat ondervinden, dat er nog rechters zijn in Den Bosch. Kantonrechters en rechtbankpresident hebben hem gekapitteld èn boete opgelegd en er wachten nog meer processen. Maar beslist is de strijd in Mill nog lang niet, daar zorgt de opstandige jeugd wel voor.
foto_Hermsen_fotografie.jpg

Burgermeester Jhr. C.H.J.I.M. van Nispen tot Zevenaar.

De reactie van het gemeentebestuur Mill
.
Het gemeente bestuur was in zijn wiek geschoten allereerst was er een raadslid, die voor zaken in Amsterdam moest zijn en van de gelegenheid gebruik maakte om bij de directie van het Handelsblad zijn beklag te doen. Hij schreef een brief aan de burgemeester van Mill, waarin hij vermelde dat hij de directie er op had gewezen dat de bewuste wegwijzer niet van de gemeente was maar van de ANWB (Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond). Tevens had hij hen het gemeenteverslag van de laatste 5 jaar gegeven om dit eens te bestuderen.
Het antwoord van het Algemeen Handelsblad liet niet op zich wachten; bij brief van 26 november 1936 kreeg het betreffende raadslid antwoord. Fijntjes liet de hoofredactie weten, dat in het gemeenteverslag geen enkele weerlegging te vinden was van de mededeling van de speciale correspondent. En omdat de rechtelijke macht in Den Bosch zich hiermee had ingelaten behoorde een algemeen dagblad hierover zijn lezers iets te vertellen. Bovendien stelde men, dat de gegevens, uit het gemeenteverslag te droog zijn om de lezers belangstelling in te boezemen.
Intussen had de gemeenteraad zich in een vergadering van 21 november 1936 ook over het krantenartikel gebogen. Dit resulteerde in een brief d.d. 30 november 1936 aan de hoofd redactie van het Algemeen Handelsblad. Het was niet mis wat er in die brief stond. Met klem protesteerde men tegen de wijze waarop de gemeente belachelijk werd gemaakt. Zij wezen op een onjuistheid, want het was in Schijndel dat zich een danshuis kwestie voordeed, en een in Mill.
Volgens het gemeentebestuur was er in Mill geen charge door politiemannen gemaakt op argeloze dansclubleden, zoals uw zeer speciale artikel-fabrikant meent te moeten wereldkundig maken. En, zo vervolgt het gemeentebestuur: In Mill is men niet zo achterlijk, alhoewel men een poging tot buitenwettelijk optreden ook daar tegen gaat. In Mill is men geen vijand van nette dansgelegenheden, doch in Mill waakt de men tegen zedenverwildering: wel bevordert men dáár de lichaamscultuur, doch men past voor neo- paganistische (nieuw heidendom) verwording.
Zo gaat men nog een tijdje door, nogmaals een veeg uit de pan uitdelend aan de speciale correspondent ( Hij voelde de volksmentaliteit niet goed aan, hij begreep niet wat er leeft onder de Brabantsche mensen en dat hij zich kon opwerken tot een hoogte, die nodig is om een eerlijk, rechtschapen en verantwoord krantenartikel schrijver te zijn.)
Burgemeester en Wethouders concluderen verder dan nog, dat in het diepste wezen de oorzaak van het optreden van elementen, die door middel van ongeoorloofde dansgelegenheden de traditie van een goedgelovig ,levensblij Brabants volk willen neertrappen, een verschijnsel van degeneratie is. Dit alles sluit niet uit, dat ook Brabanders zich doch dan op hunne wijze aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, zoveel mogelijk echter met behoud van folklore, met behoud van het goede, met het behoud van een zedelijk verantwoorde levenshouding. Dat stond er dus maar eens, de gemeente Mill had van zich afgebeten en zij had duidelijk gesteld hoe het in elkaar zat en bovendien aangegeven hoe het Brabantse nu precies was. Dat het hun visie was op hoe het eigenlijk zou moeten zijn of blijven is hen, gezien de tijd ,niet kwalijk te nemen. Wel is het jammer dat zij de geest van het artikel niet hebben aangevoeld en dat hun opwinding hen parten gespeeld heeft. Want in plaats van een artikel van redres in het Algemeen Handelsblad , zoals zij gevraagd hadden, ontvingen zij een brief van het Algemeen Handelsblad, gedateerd 7 december 1936.
De hoofdredactie zegt daarin onder meer, dat bij een beoordeling van het gewraakte artikel een zeker gevoel voor humor niet kan worden gemist. Het was de redactie opgevallen , dat niet alleen in Mill maar in meerdere gemeenteraden van oostelijk Noord-Brabant ernstig gefulmineerd was tegen de danswoede. Des ondanks was gebleken, dat het publiek bleef toestromen, volgens de redactie en typisch menselijk verschijnsel ; de aantrekkingskracht van de verboden vrucht. Dit alles had de Stof geleverd voor de beschouwing van de correspondent, welke geen zins de pretentie van strenge zakelijk bezat. Over een rectificatie van het artikel wordt nog geen woord gerept. In het dossier treffen we dan geen stukken meer aan over deze zaak. De opwinding van het gemeentebestuur zal misschien mede door de laatst brief, wel verdwenen zijn. Mogelijk zullen zij, wat tegensputterend, tot de conclusie
gekomen zijn, dat een krant toch niet schrijft wat de overheid wil; iets wat tot de dag van vandaag gelukkig nog steeds het geval is. Maar ja, die vorm van zedenverwildering is doorgegaan, is het nu ook zo erg met ons gesteld tegenwoordig?<