Merlet; Opgravingen bij kapel O.L. Vrouw ten Hove te Mill in 1976


OPGRAVINGEN IN EN BIJ DE KAPEL-RUÏNE VAN ONZE LIEVE VROUW TEN HOVE TE MILL IN HET VOORJAAR VAN 1976.

•A. Korte samenvatting van de geschiedenis van de kapel.
Omtrent de oudste geschiedenis van de kapel van Onze Lieve Vrouw ten Hove te Mill zijn we bijzonder slecht ingelicht. In de 12e eeuw krijgt de Norbertijner abdij Mariënweerd , gelegen bij Beesd in de Betuwe, enkele goederen in en om Mill, waaronder het nog niet gelokaliseerde goed Pisla. De bisschop van Luik stond de Witheren toe aldaar de heilige dienst te verrichten en hun doden te begraven. Het ligt voor de hand dat toen op deze kleine uithof van de abdij omstreeks 1160 of iets later een kapel is gebouwd. In 1261 spreekt een oorkonde van een curtis of hof te Mill, doch ook hier is het de vraag of deze hof dezelfde is als de latere Hof ten Hove. Bij opgravingen zijn geen muurresten van tufsteen aangetroffen. De enkele kloostermoppen, die tevoorschijn kwamen, moeten van een bouwwerk van na 1300 zijn.
L. Schutjes deelt in zijn meer dan honderd jaar oude kerkgeschiedenis van het bisdom Den Bosch mede, dat vrouwe Johanna van Cuijk enkele jaren voor 1400 op de hof ten Hove heeft vertoefd. De kapel zou dan gediend hebben als huiskapel.
Dit alles is moeilijk te verifiëren. Gezien het zeer summiere parochie-archief van Mill is het mogelijk dat Schutjes beschikt heeft over later verloren gegane gegevens. Bij het organiseren van de feesten ter gelegenheid van het 650-jaar bestaan van de parochie Mill dook een weggewandelde oorkonde op van het jaar 1399, waarin vrouwe Johanna van Cuijk aan haar dienaar Michiel Scenkel vijf hoeven peel vanwege trouwe dienst schenkt.
Deze stukken peel moeten ergens onder Mill hebben gelegen. Het is een raadsel hoe deze oorkonde, waaraan het ongeschonden zegel van Johanna hangt, in het Millse parochiearchief verzeild is geraakt.
Enkele jaren later geeft hertog Willen van Gelre en Gulik als heer van Cuijk aan de kerspelluiden van Cuijk, Mill, Beers en Escharen eveneens vijf hoeven turfpeel uit, gelegen te Mill naast de peel van zijn nicht vrouwe Johanna. Zowel Johanna als Willem hadden dus een zekere binding met Mill en het is niet uitgesloten dat zij er zo nu en dan verbleven en gebruik maakten van de kapel op de uithof van de abdij. kapel had oorspronkelijk een schip van twee traveeën en een driezijdig koorsluiting. De kapel wordt in geen enkele pouillé of kerkelijke belastinglijst van het bisdom Luik vermeld, behoudens blanco in 1524.
We kennen ook nauwelijks een geestelijke, verbonden aan deze kapel. Alleen stelt de bisschop van Luik in 1457 of 1458 op voordracht van de abt Johan van Braedbeek van de abdij Mariënweerd een priester Mathias aan als rector van een blijvend officie in de kapel van de Heilige Maagd Maria gelegen te Mill. Duidt dit misschien op de bouw van de huidige kapel?
Tegelijkertijd zou Mathias de Millse pastoor Theodorus Spuelre behulpzaam zijn door drie missen per week in de parochiekerk op te dragen. De pastoor schenkt op zijn beurt omtrent die tijd de opbrengst van enkele goederen, groot 15 malder graan, tot onderhoud van de dienstdoende priester van de kapel. Met deze gegevens moeten we het voorlopig doen. Het kan zijn, dat het nagenoeg geordende archief van de abdij Mariënweerd ten rijksarchieven te Arnhem nog enkele nadere gegevens bevat.
Het goederenbezit van de abdij Mariënweerd te Mill was op het eind van de 16e eeuw op een of andere manier verpand aan de prins van Oranje, die vanaf 1559 tevens pandheer was van de stad Grave en het Land van Cuijk. Dit pandschap nu werd door de Staten van het Kwartier van Nijmegen op 4 juni 1613 omgezet in een schenking ten gunste van prins Maurits vanwege zijn verdienste als zodanig, waarvoor de prins alle lasten op zich nam voor het onderhoud van de gebouwen.
Aldus kwam ook de kapel onder het beheer van de Nassause Domeinraad in den Haag en tenslotte aan het Kroondomein. In tegenstelling tot de boerenhoeven zal men zich aan onderhoud van de kapel weinig gelegen hebben laten liggen.
De laatste bedienaar van de kapel was Wouter van Baer, die in 1649 pastoor werd van de schuurkerk te Escharen. In 1648 gingen immers alle kerken over ten dienste van de Gereformeerde Religie. Ook voor de Millse kapel zal toen een verbod tot het opdragen van de mis van kracht zijn geworden. In de rekening van de geestelijke goederen over 1657 worden de inkomsten van de kapel geschat op twee malder en twee vat rogge. Verder behoorde tot de kapel nog drie en een half morgen weiland en een morgen hooiland, genaamd de Onze Lieve Vrouwemorgen. Alles bij elkaar was dat 38 gulden en 2 stuivers per jaar
De kapel was voortaan aan verval van weer en wind bloot gesteld. Een visitatieverslag deelt ons mede dat het gebouwtje in 1672 open, leeg en zonder vensters was. Het miraculeuze Mariabeeld was toen reeds naar de parochiekerk overgebracht. Op dinsdag na Pasen trokken de Millse gelovigen in een sacramentsprocessie naar de oude kapel. Van de verdere lotgevallen weten wij nagenoeg niets.
Jan de Beijer heeft in 1746 de kapel zonder dak en zonder vensters als een bekoorlijke ruïne getekend. Toen stond er nog aanzienlijk meer muurwerk dan omtrent 1900. Er ontstonden schone legenden rondom deze zo romantisch gelegen ruïne over het graf van een vermoorde jonkvrouw. In november 1903 stortte de kapel ruïne deels in, toen de er naast gelegen hoeve van de Eerste Halve Hof of de Kappelerhof het begaf.
Burgemeester en wethouders van Mill adviseerde de puinhopen maar allemaal op te ruimen. Van de zijde van de eigenaar, het Kroondomein, was men hier echter tegen gekant. Een paar jaar later ging men wat onoordeelkundig in de kapel spitten. Men vond een stenen vloer en iets dat leek op een grafkelder. Na alles te hebben gefotografeerd liet men het zoals het was.
In de diepe herfst van 1922 ging het Kroondomein over tot algemene consolidatie daar er anders niets van de ruïne zou overblijven. Inderdaad trof men onder de vloer een vrij gaaf geraamte aan met er bij een medaille van de heilige Franciscus van Sales. Op het skelet lag een bijna onverteerd scapulier, waarop nog vrij duidelijk de afbeelding te zien was van Maria met een kroontje. Ook vond men toen nog een muntje uit 1629 met het wapen van de hertog van Brabant.
Alle vondsten werden door de heer Montenberg, rentmeester van de Kroondomeinen, afgestaan aan de paters Karmelieten te Boxmeer, daar men dacht te doen te hebben met het overschot van de Millse Karmelietenpastoor Angelus Schepers, overleden in 1663. Naderhand kon dit echter niet kloppen, daar Franciscus van Sales pas in 1665 heilig werd verklaard. Het vermoeden bestaat nu dat het de stoffelijke resten betrof van pastoor Heuvelmans, begraven in Mill in 1684, of van pastoor Tielen, ter aarde besteld in 1704.

B. Opgravingen in het voorjaar van 1976.
Al jaren lang was men te Mill van plan iets te doen aan de steeds meer in verval gerakende ruïne.
Pastoor Maas liep met de gedachte rond er een trouwkapel van te maken. Een paar jaar geleden was men bij de Kroondomeinen tenslotte genegen de ruïne aan de gemeente over te dragen, zodat plannen konden worden gemaakt tot een restauratie door architect de Jong. Van te voren werd de mogelijkheid geopend tot een grondig archeologisch onderzoek. Na toestemming te hebben gekregen van de daartoe bevoegde instanties togen op 6 maart elf enthousiastelingen van de Archeologische Werkgemeenschap, het Museum 't Oude Slot te Zeelst en het Gemeentemuseum van Eindhoven aan het werk; zulks onder gure weersomstandigheden.
Zoals te verwachten was, hadden de vroegere gravers in het oudste gedeelte de zaak nogal verstoord. Men vond een viertal munten, doch jammer genoeg geen spoor van een voorgaande bebouwing. Rondom de grafkelder, waarin het skelet in 1922 weer was bijgezet onder een betonnen deksel, trof men nog een vloer aan. Het deksel van de grafkelder werd door middel van een dommekracht omhoog geheven.
Men trof hier inderdaad een skelet aan. Alles werd weer afgesloten voor nadere toestemming en een rustiger onderzoek. De tegelvloer bleek door vorige spitters nogal vernield te zijn. Na alles ingetekend te hebben, groef men dieper . Er kwam een tweede vloer bestaande uit kloostermoppen te voorschijn. Men ging verder met het onderzoek op 20 maart. Met roestemming van de gemeente werd nu het skelet , rustende op het zand onder een klein koepelgewelf, te voorschijn gehaald. Vervolgens groef men nog dieper, totdat men op een laag natuurstenen stootte.
Na grondboringen werd vastgesteld dar de hieronder liggende lagen niet meer door mensenhanden verstoord waren. Volgens geruchten zou er onder het eerste graf nog een tweede moeten zitten. Bij onderzoek bleek dat hier geen sprake van kon zijn. Men vond die dag in totaal drie munten en wat glas- en aardewerkscherven uit de middeleeuwen en merkwaardigerwijs ook de Romeinse tijd. Sporen van Romeinen zijn in het Millse zeer zeldzaam.
De opgravingen werden voortgezet op 3 en 24 april in het westelijk voorportaal van de kapel. Door het maken van een L-vormige sleuf ontdekte men hier een vloer, die blootgelegd werd. Een zilveren munt en wat aardewerk waren de vrij schrale oogst van deze beide zaterdagen. Ook de naast de kapel gelegen kunstmatige hoogte werd summier onderzocht, zonder resultaat overigens. Toch was men over het geheel niet ontevreden, hoewel alle raadsels rondom de kapel niet waren opgelost.

Het achttal munten werd als volgt gespecificeerd:
1. Een zilveren stuiver van het gewest Overijssel.
2. Een munt van de aartshertogen Albert en Isabella uit 1609, misschien geslagen te 's-Hertogenbosch.
3. Een Kleefse munt uit 1679.
4. Een duit van de stad Utrecht uit 1637.
5. Een koperen munt van 12 pfennig uit 1620, geslagen in de Westfaalse stad Soest.
6. Een zilveren vijf-duitstuk.
7. Een koperen munt van het gewest Friesland uit 1626.
8. Een klein zeer dun zilveren muntje, voor nadere determinatie opgestuurd naar het Koninklijk Kabinet van Munten, Penningen en Gesneden Stenen in de Haag.
De heer drs. H.W. Jacobi deelde aan de gemeente Mill mee, dat het hier een muntje betrof van de heerlijkheid Appen bij Geldern uit de eerste helft van de 15e eeuw op naam van Gumprecht.
Het was niet na te gaan welke Gumprecht werd bedoeld, aangezien enkele opeenvolgende heren van Alpen deze naam droegen. Het muntje was van een grote zeldzaamheid. Aan het Kabinet waren slechts twee exemplaren uit de literatuur bekend van een slechtere kwaliteit.


De skeletresten werden door bemiddeling van de heer H. Christiaans, ambtenaar ter secretarie te Mill, voor een nader onderzoek opgestuurd naar het Instituut voor Antropobiologie van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Menig kootje van vingers en tenen alsmede de ribbekast en ruggenwervel ontbraken. Schedel en bekken maakten duidelijk dat men hier te doen had met een mannelijk persoon van iets ouder dan vijftig jaar, op grond van de lange pijpbeenderen met een lichaamslengte van ongeveer 174 cm. Enkele botvergroeiingen doen verder niet ter zake. Men had te Mill gehoopt meer zekerheid te krijgen over dit stoffelijk overschot. Het geheim van de persoon blijft echter bewaard en zodoende wordt de gissing dat we te doen hebben met het skelet van pastoor Heuvelmans of pastoor Tielen bestendigd.
Door opgravingen en restauratie zijn enkele raadsels van de geheimzinnige Millse kapel opgelost, terwijl de meeste nog onaantastbaar zijn. Misschien komen we door naarstig speuren, waarbij een toevalstreffer ons zal moeten helpen, nog eens wat meer te weten. In ieder geval is het een verheugend feit, dat door restauratie de kapel voor het nageslacht behouden blijft. Voor het verstrekken van gegevens gaat onze dank vooral uit naar de heer Christiaans te Mill.
Streekarchivaris de heer H. Douma.

Geraadpleegde Literatuur:
A. Claassens ; Herdenkingsboek bij gelegenheid van het 650-jarig bestaan van de parochie Heilige Willibrordus Mill, 1976.
Joh. A. Maris; De reformatie der Geestelijke en Kerkelijke goederen in Gelderland, 1939
J. de Fremery; Cartularium der abdij Marienweerd, 1890
L. Schutjes; Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, 1876.
J. Habets; Geschiedenis van het bisdom Roermond 1892

Bronnen en documentatie:
Parochie archief Mill; oorkonde 1399
Documentatie gemeente Mill
Monumenten omschrijving
Boxmeers weekblad-Graafse courant 1912,1922.