Merlet; Volksgezondheid in het Land van Cuijk in de jaren 1900-1920


DE ZORG VOOR DE VOLKSGEZONDHEID IN HET LAND VAN CUIJK IN DE JAREN 1900-1920.

Inleiding.
Als u zo eens om u heen kijkt dan ziet u in het algemeen goede en schone wegen en straten. In veel plaatsen is riolering en de huizen zijn volgens allerlei voorschriften gebouwd met veel toetreding van lucht en licht.
In uw woning behoeft u maar een kraan open te draaien en u hebt goed drinkwater, u kunt het hele huis, zeker met centrale verwarming, redelijk verwarmen en gaat u zo maar door. Ook uw werkomgeving voldoet aan allerlei eisen door de diverse voorschriften op dit gebied.
Kinderen worden tijdig gevaccineerd ter voorkoming van verschillende ziekten, tijdens de schoolperiode kunnen zij gebruik maken van de diensten van schoolartsen en -tandartsen. Trouwens ook u kunt, mocht dit onverhoopt nodig zijn, zonder bezwaar , mede door verzekeringen, naar uw arts/tandarts gaan en ook de ziekenhuisvoorzieningen in onze regio (en daarbij mag u echt wel de provinciegrens over) zijn zonder meer goed te noemen.
Bovendien zijn er de kruisverenigingen met hun bureaus; gezinsverzorging, bejaardenzorg en dergelijke. Het voedsel wat u krijgt is gekeurd en derhalve goed en betrouwbaar te noemen.
Kortom, onze algemene gezondheidstoestand is mede door allerlei (overheid)maatregelen goed te noemen en wij aanvaarden dit als vanzelfsprekend. Dit heeft ook zijn schaduwzijde want deze vanzelfsprekendheid leidt er ook toe, dat wij ons niet bekommeren om onze afvalstoffen, zodat wij momenteel soms op een grove manier bezig zijn met de aantasting van ons leefmilieu. Het behoeft geen betoog, denkt u maar eens aan de recent gevonden gifbelten, dat wij daarmede op een gevaarlijk manier tornen aan die gezondheidstoestand.

Wat wij nu dus als heel normaal beschouwen was zo'n 70 jaar geleden beslist heel anders. Dit is bijvoorbeeld bekend uit de verslagen van de Gezondheidscommissie, die in ons gebied werkzaam is geweest. Deze commissie had het toezicht op of moest adviseren over verschillende facetten van de volksgezondheid. Over het werk van die commissie zal dit artikel gaan.

Wettelijke bepalingen.
Om enig inzicht te krijgen in dat werk, een onderdeel van het staatstoezicht op de volksgezondheid, lijkt het wenselijk eerst een summier overzicht te geven van de wettelijke bepalingen op dit terrein. Hoewel wij kunnen aannemen dat er zeker op lokaal terrein wel bepalingen zijn geweest met het oog op de volksgezondheid, bleek toch in het begin van de 19e eeuw de noodzaak om een en ander landelijk, centraal te regelen.
Dit resulteerde in de wet van 12 maart 1818 "ter regeling van hetgeen betrekkelijk is tot de uitoefening van de verschillende takken der Geneeskunde". Deze wet, en het Koninklijk Besluit van 31 mei 1818 dat op deze wet was gebaseerd, regelde echter meer het toezicht op de uitoefening van de geneeskunde.
Er werden provinciale commissies ingesteld die de bekwaamheid moesten beoordelen van de artsen, die zich in de provincie wilden vestigen. Als commissie verstrekte zij getuigschriften van bekwaamheid aan allen, die binnen de provincie "tot stads-, plattelands- of scheepsheelmeester, vroedmeester, apotheker, vroedvrouw, oogmeester, tandmeester en drogist of kruidenverkoper wenschen bevorderd te worden".

Bovendien moesten zij er op letten, dat niemand de uitoefening der inwendige geneeskunst mocht beoefenen, tenzij hij was opgeleid op een Rijkshogeschool en de graad van medicinae doctor had verkregen.

Deze situatie was niet bevredigend, er werd immers weinig aandacht besteed aan het voorkomen van zaken die de gezondheidstoestand nadelig zouden beïnvloeden. Deze (slechte) gezondheidstoestand noopte de rijksoverheid tot het treffen van verdergaande maatregelen. Een aantal nieuwe wetten kwam tot stand en een daarvan was de wet van 1 juni 1865,regelende het geneeskundig staatstoezicht.
Ingevolge het gestelde in artikel1 omvatte dit staatstoezicht:
a. het onderzoek naar de staat der volksgezondheid en, waar nodig, de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering;
b. de handhaving der wetten en verordeningen in het belang der volksgezondheid vastgesteld.

Om dit te bereiken werd onder meer ingesteld de functie van (adjunct) inspecteur. Deze inspecteurs kregen voor een goede uitoefening van hun taak onder andere de bevoegdheid tot het binnentreden van openbare gebouwen, scholen, gestichten, fabrieken, werkplaatsen, kazernes en gevangenissen, teneinde zich op de hoogte te stellen van de toestand in die inrichtingen.
Na verloop van tijd bleek deze wet niet goed te voldoen omdat plaatselijk toezicht niet goed uit de verf kwam.
In het jaar 1901 kwam er dan ook een nieuwe wet tot stand ter vervanging van de regeling uit 1865. Deze wet van 21 juni 1901, houdende regeling van het Staatstoezicht op de volksgezondheid (gezondheidswet) , had wel ongeveer een zelfde omschrijving van het begrip staatstoezicht.
Belangrijk was echter de bepaling in artikel 2 van de wet, namelijk de instelling van een aantal functies, die toezicht moesten uitoefenen, moesten adviseren en dergelijke; het waren:
a. de centrale gezondheidsraad
b. de hoofdinspecteur van de volksgezondheid
c. de inspecteur van de volksgezondheid
d. de gezondheidscommissies


verslag_gezondsheidscommissie.jpgvoorblad van het verslag anno 1908 der bevindingen en handelingen van de gezondheidscommissie.

De gezondheidscommissie.
Hier vinden we dus de basis van de gezondheidscommissie die in het Land van Cuijk werkzaam is geweest. De commissie moest zich op de hoogte houden van de staat der volksgezondheid, was bevoegd voorstellen te doen, behandelde klachten, deed onderzoekingen en kon daarbij deskundigen inschakelen; de colleges van burgemeester en wethouders waren verplicht zaken betreffende de volksgezondheid, in de ruimste zin van het woord, aan de commissie voor te leggen.

Onze Land van Cuijkse commissie was ingesteld door de gemeenten Beers, Beugen c.a., Boxmeer, Cuijk c.a., Escharen, Gassel, Grave, Haps, Linden, Maashees, Mill c.a., Oeffelt, Oploo c.a. Sambeek, Velp, Vierlingsbeek, Wanroij en een vreemde eend in de bijt Zeeland.
Een aantal verslagen van deze commissie zijn bewaard gebleven, het archief als zodanig is helaas niet meer aanwezig.
Uit deze verslagen, die ingevolge het gestelde in artikel 27, lid e, van de Gezondheidswet jaarlijks aan de Hoofdinspecteur uitgebracht moesten worden, krijgen wij een goed beeld niet alleen van de commissie zelf maar ook van de gezondheidstoestand in de jaren 1900-1920.

Om enig idee te geven van de samenstelling volgt hier een opsomming van de leden in het jaar 1908:

voorzitter;
F. van den Dries , arts te Cuijk
leden;
J.M.A. Arts, burgemeester van Oploo
H.M. van Deursen, burgemeester van Haps
A.W. van Hout, groothandelaar te Mill
J. Kat, Geneesheer-directeur Krankzinnigeninstituut te Grave
W. Mulder, oud luitenant kolonel te Grave
T. Schoonderbeek, opzichter provinciale waterstaat te Boxmeer
J.S. van de Voort, landbouwer te Beugen.
secretaris-penningmeester ;
A.J.H. Smeets te Boxmeer
De zetel van de commissie was te Boxmeer.


De leden werden, voor de tijd van vijf jaar, benoemd door de Commissaris der Koningin. Andere leden van de commissie zijn onder andere geweest J.J.H. van den Broek, arts te Cuijk (voorzitter), C. Cornelissen, oud gemeente secretaris te Wanroij, A.J. Jenniskens, burgemeester te Vierlingsbeek, A.J. Kanters, arts te Grave, P.L. Stevens, burgemeester te Sambeek en J.P.F. van de Ven, lid Provinciale Staten, wonende te Zeeland. Met onderzoekingen was belast dr. H.L. Visser, apotheker en scheikundige te Nijmegen.
Om goed te kunnen werken waren er een aantal subcommissies ingesteld, namelijk te Boxmeer, Cuijk en Grave, de vergaderingen waren meestal in Boxmeer.

De verslagen waren ingedeeld in een aantal hoofdstukken; naast de personele en financiële zaken waren dit onder andere algemene beschouwingen, toestand van water, bodem en lucht, volkshuisvesting, openbare- en andere gebouwen, scholen, fabrieken en werkplaatsen, ziekten, geneeskundige armenverzorging, drinkwatervoorziening, levens- en genotsmiddelen, en de uitvoering en handhaving van wetten en verordeningen en voorts ook diverse bijlagen. Zo vinden wij het jaarverslag over 1908 een uitgebreid rapport over de tyfus-epidemie te Sint Antonis, Oploo en Sambeekse Hoek.
In het navolgende zullen we deze hoofdstukken ongeveer volgen, zodat u een beeld krijgt van de werkzaamheden van de commissie maar ook van de (wan)toestanden die er op het gebied van de volksgezondheid in onze regio heersten.

Algemene gezondheidstoestand.
Bij lezing der algemene beschouwingen valt het op, dat zeker in de beginjaren, het sterftecijfer in het gebied der commissie hoger lag dan in de rest van Brabant en of Nederland.
Men geeft daar verschillende oorzaken aan. In de allereerste plaats wordt de grote kindersterfte genoemd. Vooral mazelen en kinkhoest, vaak in epidemische vorm, maakten vele slachtoffers. Om een voorbeeld te noemen: van de overledenen in 1908 waren 20% kinderen beneden één jaar; van de levend geborenen bereikte 1/6 gedeelte niet de leeftijd van 1 jaar. Veel kinderen stierven ook aan voedingsstoornissen, hetgeen voor de commissie weer het bewijs was, dat de verspreiding van meer kennis betreffende voeding en verzorging van het kind noodzakelijk was.
In de tweede plaats wordt de tuberculose genoemd, een ziekte die veel slachtoffers maakte. Naar de mening van de commissie was de grote onzindelijkheid die in verschillende huisgezinnen, waar tbc-lijders verpleegd werden, heerste, er de oorzaak van dat deze ziekte zo werd verspreid.
In dit verband kan wellicht opgemerkt worden, dat de commissie de huizen wel als voldoende beoordeelde (de woningen zijn er over het algemeen, met uitzondering van Grave, zo gebouwd dat zonlicht en frisse lucht bijna overal kunnen doordringen), maar dat zij beslist niet tevreden was met de slaapgelegenheden in die woningen.
In het verslag over het jaar 1905 wijdt zij hier een hele beschouwing aan, waarvan een gedeelte zal worden weergegeven.
"Het grootste gedeelte der bevolking slaapt in bedsteden. Hiervoor kiest men zeer dikwijls ruimten uit, die voor niets anders te gebruiken zijn. Deze bedsteden zijn gewoonlijk met deuren gesloten of van gordijnen voorzien, die men ook dikwijls 's-nachts, dus tijden het gebruik, sluit. Lucht en licht kunnen er over het algemeen slechts zeer spaarzaam in doordringen. Zij zijn zeer dikwijls vochtig en herhaaldelijk troffen wij er er aan, die zeer vuil waren. De lucht wordt er bovendien soms bedorven, doordat appelen, aardappels enzovoort in de ruimten onder de bedsteden en daarvan slechts door enkele planken gescheiden , worden bewaard".

Gezien het bovenstaande kunt u zich voorstellen dat de commissie stelde, dat dergelijke slaapplaatsen al niet zijn aan te bevelen voor gezonde mensen, laat staan voor zieke mensen.

De commissie stelt voorts dat als derde factor genoemd kan worden het chronisch alcoholisme, het geregeld gebruiken van grote hoeveelheden alcohol in de vorm van bier, jenever, brandewijn en dergelijke. Zij zegt: "Wel is het waar, dat als doodsoorzaak zeer zelden alcoholisme of alcoholvergiftiging wordt opgegeven; het is echter een feit, dat er binnen ons ambtsgebied talrijke personen aan ziekten van verschillende aard bezwijken, die vermoedelijk niet bezweken zouden zijn, of belangrijk langer geleefd zouden hebben, indien zij minder overvloedig van alcoholische dranken gebruik hadden gemaakt".
Wellicht ten overvloede merkt de commissie nog op dat er bij alcoholmisbruik altijd gedacht wordt aan de arbeider of in het algemeen de minder gegoede, maar dat dit beslist niet het geval is.
Zij wijzen er met nadruk op, dat dergelijk misbruik ook bij de meer gegoede inwoners van het Land van Cuijk een zodanige vorm heeft aangenomen, dat er ernstig nadeel voor de volksgezondheid ontstaat.

Deze drie eerder genoemde factoren, te weten kindersterfte, tuberculose en alcoholmisbruik, komen meermalen in de verslagen van de commissie voor.
Gelukkig kan aan het eind van de twintiger jaren geconstateerd worden, dat de kinder zuigelingen) sterfte sterk verminderd is, mede door het goede werk van de kruisverenigingen.
De teneur van de algemene beschouwingen in de verslagen is echter niet erg opgewekt.

Toestand van lucht, bodem en water.
Het moet niet altijd goed toeven geweest zijn in het Land van Cuijk als we afgaan op de verslagen van de commissie. Dit houdt dan vooral verband met de grote verontreiniging van de bodem en het water door het ontbreken van riolering en laten we het vriendelijk zeggen zorgeloos omspringen met afvalstoffen.
Behalve in Grave , waar het huisvuil vrij regelmatig werd opgehaald, moest iedereen maar zorgen dat hij zijn afvalstoffen op een of ander manier kwijt raakte. Het gevolg was dat bij iedere woning wel een mesthoop aanwezig was. Was dit al een kwalijke zaak, erger nog was de situatie bij de bedrijven in onze regio. Vooral de vele slachterijen, klein of groot , in ons gebied maakten er, volgens de rapportage van de commissie, een ware puinhoop van.
De vaste afvalstoffen werden of op het terrein van de slachterij, en er waren grote bedrijven bij zoals Lion in Boxmeer, op een hoop gegooid of gestort op weilanden aan de rand van de plaats. In het gunstigste geval werden zij wel eens met een te dunne laag zand bedekt maar dat werd vaak ook vergeten.
Men kan zich voorstellen dat er legio klachten kwamen over de stankoverlast die hierdoor veroorzaakt werd. Vooral bij warm weer, als deze stoffen sneller tot ontbinding kwamen, was de stank soms niet harden. Het waren niet alleen de slachterijen en kleine slagers die op een dergelijke manier handelden. Ook de zuivel en boterfabrieken hadden geen beste reputatie op dit gebied. Een zinnetje in het verslag over de boterfabriek in Mill, waar het centrifugeslib zonder meer uit het raam gegooid werd waar het een prooi werd van honden en katten, zegt al voldoende.
Met de afvoer van afvalwater (menagewater) was het nog erger gesteld door het ontbreken van riolering. Door allerlei open goten, langs of in de weg liggend, maar vaak ook door het zo maar over de straat laten weglopen, werd veel water naar sloten en dergelijke afgevoerd. Natuurlijk waren er ook wel zinkputten in gebruik, maar veel van die putten werkten, door verzadiging of slecht onderhoud veelal onvoldoende. Grote boosdoeners waren in dit geval ook de zuivelfabrieken. De Raam en de Oeffeltse Beek werden door deze fabrieken zeer sterk verontreinigd. Het als tussenschakel gebruiken van vloeiweiden was ook niet erg succesvol. Maar het waren niet alleen de bedrijven die op deze manier handelden. Een typerend voorbeeld vinden wij in het jaarverslag over 1905. Het betrof hier de afvoer van het afvalwater van het Liefdegesticht te Cuijk. Een gedeelte van het verslag wordt hier weergegeven.

"De eerwaarde Zusters van het Liefdegesticht gaan met eene volharding, een betere zaak waardig, voort, ondanks de waarschuwingen onzer Commissie en de gemeentepolitie, ondanks de straffen daartegen bedreigd bij het Politie-Reglement op de openbare wegen en voetpaden in Noord-Brabant en bij de Politieverordening der gemeente Cuijk, den openbaren weg te bevuilen door hun rioolwater er over te laten vloeien. De stank die ten gevolge daarvan ter plaatse heerschte, was dikwijls erg".
Het verslag gaat nog verder over deze kwestie. Hoewel het aanvankelijk leek of de waarschuwingen van de commissie, of de burgemeester, daartoe geadviseerd door de commissie, succes zou hebben, was dit nog niet het geval. De monding van het riool van het gesticht werd weliswaar afgesloten, maar later bleek dit, 's-avonds of 's-morgens zeer vroeg, geopend te worden. Het gevolg was een stinkende vloeistof in de berm van de provinciale weg en de weg naar de zogenaamde kwel. Eerst na fors dreigen met een proces-verbaal kwam hieraan voorlopig een eind.
Dit zijn vrij willekeurige voorbeelden uit een lange rij van feiten die in de verslagen voorkomen. Daarbij is het opmerkelijk dat de oplossing van deze kwestie soms jaren op zich liet wachten. Dat kwam door een grote onverschilligheid, niet alleen bij de veroorzakers maar ook bij de gemeentebesturen, die via allerlei wetten en verordeningen toch wel, zij het soms beperkte, mogelijkheden hadden om aan die feiten een eind te naken. Het kwam meermalen voor dat de gemeentebesturen de adviezen van de Gezondheidscommissie naast zich neer legden.

Drinkwatervoorziening.
Het zal u niet verbazen, dat de verontreiniging van de bodem en het water een negatieve invloed had op de kwaliteit van het drinkwater. Daarbij moet u dan wel bedenken dat er nog geen sprake was van de drinkwatervoorziening die wij nu hebben.
Al het drinkwater was namelijk pompwater, hetzij via een eigen pomp, hetzij via de zogenaamde stadspompen. De drinkwaterleiding zoals wij die thans kennen in het Land van Cuijk is immers pas vanaf ongeveer 1949 aangelegd.
Er kwamen bij de commissie veel klachten binnen over de kwaliteit, veelal de smaak, van het drinkwater. Dit was niet alleen het geval met het water bij of in de woningen( putten op pompen ) maar ook met water uit de openbare pompen.
Vaak werd dit veroorzaakt door het inwaaien van vuil in de putten omdat deze te dicht bij de openbare weg waren gelegen. Maar dat was het niet alleen want vaak werden bronnen gebruikt of pompen geslagen die te dicht bij beerputten c.q. septic tanks waren gelegen.
Dit was niet toegestaan, want reeds in 1904 had de commissie geadviseerd om in de gemeentelijke bouwverordeningen hieromtrent een bepaling op te nemen. In de respectievelijke bouwverordeningen werd het volgende opgenomen:
"De put, waardoor de pomp gevoed wordt, moet geheel ondergronds gelegen zijn en zoo zijn geconstrueerd, dat alleen water uit diepere grondlagen daarin kan doordringen. Hij moet gelegen zijn op een afstand van minstens 10 meter, van beerputten , stallen, varkenshokken , bewaarplaatsen van mest en vuil en van datgene, waarvan men met grond vermoeden kan, ter beoordeling van Burgemeester en Wethouders, dat de bodem daardoor zal verontreinigd worden. Het is niet geoorloofd beerputten of andere inrichtringen , waardoor bodemverontreiniging kan ontstaan te plaatsen binnen een afstand van 10 meter van bestaande drinkwaterputten".
Helaas moest de commissie meermalen constateren dat men zich niet aan deze bepalingen hield , met als gevolg sterke verontreiniging van het drinkwater.

Volkshuisvesting.
Zoals men in het vorenstaande al heeft gezien in de gedeelten over de bodem- en waterverontreiniging en de drinkwatervoorziening werd de volksgezondheid van de inwoners bedreigd door allerlei zaken buiten de woning gelegen. Dit sluit echter niet uit dat de woning zelf en de indeling daarvan, alsmede de overbevolking van de huizen, een funest invloed op de volksgezondheid hadden. De wetgever had dit onderkend en wettelijke bepalingen opgesteld. Deze waren opgenomen in de Woningwet 1902. Volgens deze wet waren de gemeentebesturen verplicht bouwverordeningen en bewoningsverordeningen vast te stellen.
In artikel 14 van deze Woningwet werd de taak van de Gezondheidscommissie geregeld.
Zij moesten de gemeentebesturen onder andere adviseren over noodzakelijke verbeteringen aan woningen, de eventuele onbewoonbaarverklaring van woningen en ook moesten zij er op letten dat de hand gehouden werd aan de bewoningsverordeningen, dat wil zeggen dat er geen overbevolking van de woningen optrad. Ook onze commissie deed zijn werk op dit terrein en dit heeft zijn weerslag in de verschillende verslagen. Hoewel de commissie in het algemeen de woningen, met uitzondering van Grave, wel als voldoende beoordeelde, bleken er toch soms schrijnende toestanden op dit gebied te zijn .

auteur: de heer P. Schoonhoven.

Bron: Jaarverslagen Gezondheidscommissie Land van Cuijk en Zeeland.