Merlet; Geschiedenis van het lager onderwijs in Mill en Sint Hubert in de jaren 1850-1900 inclusief fotoreportage



Geschiedenis van het lager onderwijs in Mill en Sint Hubert in de jaren 1850-1900

Inleiding

Het Nederlandse lager onderwijs werd in de negentiende eeuw steeds verder verbeterd. Kinderen gingen langer naar school en arbeid voor jonge kinderen werd in geheel West-Europa voor een belangrijk deel verboden.
Dit betekende dat kinderen in het gezin als economische factor steeds minder van betekenis werden. Een toenemend aantal ouders besloot dan ook hun spruiten aan het lager onderwijs te laten deelnemen.
Een aantal wetten zijn van 1801 tot 1985 de revue gepasseerd om het onderwijs te verbeteren en aan te laten sluiten bij de eisen van de tijd. Het mag duidelijk zijn dat over die periode voor elke plaats of dorp een eigen onderwijsgeschiedenis is te schrijven. Ik ( G.J.E. Hulsegge archivaris) heb in dit artikel het lager onderwijs in Mill en Sint Hubert in de tweede helft van de negentiende eeuw onder de loep genomen. De volgende zaken zullen aan de orde komen; schoolgebouwen; soorten scholen; onderwijzers; leerlingen; schooltijden en leermiddelen.
Het onderwijs in de Republiek de Verenigde Nederlanden was sterk protestants-christelijk gericht. Onderwijzers waren van protestantse huize en gaven aan een relatief klein aantal kinderen onderricht. Zoals gezegd is er in de negentiende eeuw in het onderwijs veel veranderd. Er kwamen verschillende schooltypen bij. Het aantal leerlingen nam in de loop van de negentiende eeuw sterk toe. Er werden strengere eisen aan de achtergrond van de onderwijzers gesteld. Voor de klas staan zonder het afleggen van examens werd verboden. Het karakter van het onderwijs was in eerste instantie openbaar. In de onderwijswet van 1806 werd de gemeente gevraagd te zorgen voor goed onderwijs. De schoolwet van 1857 ging daarbij nog een stap verder. Het was niet langer een verzoek maar een voorschrift. Openbaar onderwijs moest voor een ieder toegankelijk zijn, ongeacht de kerkelijke achtergrond.
Leerstellige zaken mochten dan ook niet aan de orde komen. Het onderwijs behoorde gericht te zijn op het aanleren van vaardigheden en moreel. Dit moreel was gebaseerd op de christelijke maatschappelijke waarden die bij de liberale burgerij in de negentiende eeuw opgang deden.
Het onderwijs werd gegeven in kleine schoolgebouwen. Zo klein, dat het gemeentebestuur van Mill in 1854 tot nieuwbouw en in 1885 tot een grootscheepse verbouwing overging. In het navolgende hoofstuk zal daar nader worden op ingegaan.

Schoolgebouwen.

Mill en Sint Hubert beschikten in de negentiende eeuw elk over een openbare lagere school. Of beter gezegd een schoollokaal met een onderwijzerswoning. Op 3 december 1852 stuurde de schoolopziener van het "derde distrikt van Noord -Brabant" dhr. Van de Mortel aan het gemeentebestuur van Mill een brief waarin melding werd gemaakt van de slechte staat van het schoollokaal in Mill. Voor de gezondheid van de kinderen en voor het lesgeven zou het goed zijn om over te gaan tot verbouwing van de school.
Deze brief leidde ertoe dat de plannen voor een nieuw schoollokaal te Mill begin 1853 een paar keer op de raadsagenda kwamen te staan. De raad was het met het standpunt van de schoolopziener eens. Een nieuw schoollokaal was onontbeerlijk. De school was eind jaren twintig van de 19e eeuw door geldgebrek veel te bekrompen gebouwd. Te weinig ruimte en een ongezonde omgeving voor de kinderen kon men niet tolereren.
Over een nieuwe onderwijzerswoning werd aanvankelijk niet gesproken. Dit veranderde snel. De woning werd te klein bevonden en op 21 februari 1853 kwam er een schetstekening op tafel voor een nieuwe school met onderwijzerswoning. De kosten vielen daarmee ƒ 1.000,= hoger uit dan bij de eerste opzet. Het gemeentebestuur zag de noodzaak van een school met woning duidelijk in en zette zijn zinnen op het laatste plan.
Nu de kosten veel hoger waren, hoopte de gemeente op steun van de provincie.
In een brief van het gemeentebestuur aan de Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant werd verzocht om 1/3 van de begrote kosten van ƒ 4.000,= op zich te nemen.
In de raad werd vervolgens besloten om voor de bouw van een nieuwe school naar een andere locatie te zoeken. De school bood te weinig speelruimte. Daarnaast vond de raad, dat de huidige plaats in het centrum van het dorp heel gevaarlijk was voor de kinderen. De school stond op een druk punt van wegen. De kans was niet gering dat de kinderen zouden worden overreden door voorbijrazende karren. De gemeente liet haar oog vallen op een perceel grond van Maria van Kempen, weduwe van Adriaan van Abel. Het perceel bekend onder de sectie G, nummers 210,211 en 212. Op 9 mei 1853 besloot men dit perceel aan te kopen voor de prijs van ƒ 470,=.
In het voorjaar van 1854 werd met de bouwwerkzaamheden begonnen. De planning was erop gericht dat de school er voor 1 november zou moeten staan, om betere bescherming te kunnen bieden tegen de eventuele kou van de komende winter. Aangezien de raad op 13 januari 1855 besloot tot betaling van ƒ 182,16 voor meerwerk aan aannemer Goossens mag men ervan uitgaan dat de planning voor het najaar 1854 werd gehaald. De oude school met onderwijzerswoning zou worden afgebroken. De raad schatte de opbrengst op ƒ 700,=.
In 1878 kwam er een nieuwe schoolwet. Deze wet schreef strengere bouwtechnische eisen voor dan haar voorganger uit 1857. Dat deze wet mede de aanleiding is geweest om te komen tot weer een nieuwe school in Mill is wel zeker.
Tijdens de raadsvergadering op 27 november 1882 werd de school bestempeld als zwak. Ze voldeed op geen enkele manier aan de wet. De raad besloot tot de bouw van een nieuwe school met onderwijzerswoning op het perceel kadastraal bekend sectie C nummer 401.
Twee jaar later kwam men van dit besluit terug. De burgemeester adviseerde de raad tijdens de vergadering op 19 december 1884 niet over te gaan tot nieuwbouw. De burgemeester stelde dat de school voldeed aan de eisen van de wet. Een verbouwing van de school en de onderwijzerswoning zou voldoende zijn om het geheel in een goede staat te brengen. Voor de financiering van de kosten ca. ƒ 3500,= schreef de gemeente een lening uit tegen 4%, af te lossen binnen een periode van 5 jaar.

school__1885_mill.jpg
Schoolgebouw met onderwijzerswoning te Mill anno 1885.

Op 20 mei 1885 vond de openbare aanbesteding plaats. Bij raadsbesluit van 5 juni 1885 werd de opdracht tot verbouwing gegund aan timmerman Arnoldus Centen te Wanroij voor een bedrag van ƒ 3899,=. De levering van 48 stuks nieuwe schoolbanken en vier dubbele borden zou worden verzorgd door timmerman Hendrikus van Mil te Uden voor een bedrag ad ƒ 370,=. De nieuwbouw te Mill in 1854 en de verbouwing in 1885 waren hard nodig. Het groeiend aantal leerlingen bracht dit onder andere met zich mee. Toch kreeg deze school met de stichting van een bijzondere lagere school in haar buurt forse concurrentie. Het aantal leerlingen liep als gevolg hiervan behoorlijk terug. De oprichting van de bijzondere lagere school in Mill wordt in het volgend hoofstuk behandeld.

Rooms katholieke meisjesschool te Mill

In 1853 mochten er in Nederland weer bisschoppen worden benoemd. Daarmee ontworstelden de Room Katholieken zich meer en meer aan de bevoogding van het liberale establishment. Sterker nog, men wenste in cultureel en politiek opzicht op eigen benen te staan. De emancipatiebeweging van confessioneel Nederland bestaande uit Rooms Katholieken en protestanten, kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw goed op gang . Dit uitte zich onder meer in het stichten van steeds meer eigen scholen. Weliswaar was de overheid nog lang niet zover, dat die zich geroepen voelde om het bijzonder onderwijs financieel te ondersteunen, met de grondwetsherziening van 1848 zette zij al een hele stap .
Tegen deze ontwikkelingen kijken we nu wat er in Mill gebeurde. Er waren twee openbare lagere scholen. De een stond in Mill en de andere in Sint Hubert. Heel overzichtelijk dus.

Deze situatie van betrekkelijke rust aan het onderwijsfront te Mill veranderde toen de plaatselijke notaris Verstraaten in 1871 vond dat het voor de Millse jeugd goed zou zijn dat er christelijk onderwijs zou komen. Hij overlegde met zijn neef, die op dat moment burgemeester van Mill was, en pastoor Michiels. Beiden gaven de notaris gelijk. Naast de openbare school moest er een Rooms Katholieke school komen. De bisschop gaf al spoedig zijn goedkeuring voor de plannen. De Verstraatens en pastoor Michiels togen daarop naar de zuster Franciscanessen te Gemert. Blijkbaar waren de zuster zo enthousiast over het voornemen, dat een drietal zusters samen met de heren terugreisden naar Mill. De zusters bleven en begonnen direct de plannen gestalte te geven. Samen met de plaatselijke bevolking hebben zij de schouders eronder gezet. Het resultaat was dat op 2 april 1872 kon worden gestart met een bijzondere lagere school voor meisjes.
Daar bleef het overigens niet bij. Ook een bewaarschool voor kinderen tot 6 à7 jaar werd spoedig van de grond geholpen. De plaatselijke parochie kreeg bij besluit van 1 juli 1872 ƒ 500,= subsidie van de gemeente om een en ander te realiseren.
Daarnaast gingen de zuster zich bezighouden met de verstrekking van voedsel aan kinderen van bedeelden of behoeftigen. Daarbij werd geen onderscheid gemaakt of de kinderen van de eigen school of de openbare school kwamen.

klooster.jpg
Het klooster kapel en school voor verdere informatie zie rubriek publicaties/boeken/Mill-anno uitgave vriendenkring Myllesheem


Onderwijzers

In de negentiende eeuw was op de openbare lagere scholen het geven van onderwijs een zaak die voornamelijk was voorbehouden aan mannen. Zeker waar het platteland betrof. Een uitzondering hierop was dan het vak nuttige handwerken. De meisjes hadden daarbij het gelukkige voorrecht om dit te mogen leren van iemand van het eigen geslacht.
Aanvankelijk werd slechts door een onderwijzer per school lesgegeven. Alle kinderen zaten bij elkaar in een lokaal. In de loop van de negentiende eeuw groeide het aantal leerlingen snel.
De beide meesters konden het werk eigenlijk niet langer alleen doen. Men had hulp nodig van zogenaamde ondermeesters. In december 1853 richtte het gemeentebestuur van Mill zich tot Zijne Majesteit Koning Willem III met het verzoek om een vergoeding van ƒ 75,= uit de rijkskas voor de aanstelling van een ondermeester aan de openbare lagere school te Mill. Behalve het argument van het groeiend aantal leerlingen werd ook de zwakke gezondheid van de 51 jarige onderwijzer Petrus Hendricus Janssen gebruikt. In 1853 kwam er op school in Mill assistentie. Bij deze uitbreiding bleef het niet. Het onderwijskundig personeel zou de komende jaren uitbreiden.


schoolfoto_van_de_Millse_jongens_anno_1890.jpg
Schoolfoto van de Millse jongens van de hoogste klassen met rechts meester Willems ( cica 1890).

In 1861 kwam er een kwekeling bij. Dertig jaar later gevolgd door een derde onderwijzer. De onderwijswet van 1878 speelde daarbij een belangrijke rol. De klassedeler van 70 leerlingen werd teruggebracht naar 40. De situatie met drie onderwijzers was daarmee enorm verbeterd. Het aantal onderwijzers was toegenomen maar het aantal leerlingen niet.
Sinds de oprichting van de bijzondere lagere school voor meisjes in Mill nam het aantal vrouwelijke leerlingen namelijk snel af.
De openbare school in Sint Hubert kende volgens "Beredeneerd verslag van de Plaatselijke Schoolcommissie over 1858"reeds een hulponderwijzer. Er was echter wel een verschil met de school in Mill. De Millse hulponderwijzer ontving een vergoeding uit de gemeentekas, terwijl de hulponderwijzer te Sint Hubert aanvankelijk voor de klas stond op kosten van de hoofdonderwijzer. De reden dat de veel kleinere school in Sint Hubert relatief snel een hulponderwijzer had, maar aanvankelijk niet op kosten van de gemeente, kan te maken hebben met de hoge leeftijd van de hoofdonderwijzer ( 66 jaar ) .Pas in 1883 zien we de vergoeding van de hulponderwijzer terug als gemeentelijke kostenpost op de begroting.
Kijken we tenslotte dan nog even naar de situatie van de Rooms Katholieke meisjesschool. Volgens het jaarverslag van de toestand der gemeente Mill duurde het tot 1889, voordat er een extra zuster bij komt om de meisjes onderwijs te geven.
Helaas ontbreekt een flink aantal jaarverslagen uit de periode 1872-1889. Vermoedelijk zal reeds voor 1889 een hulponderwijzeres zijn geweest.




De maatschappelijke positie van een onderwijzer tot zelfs na de Tweede Wereldoorlog was heel bijzonder te noemen, zeker op het platteland. Enerzijds behoorde de onderwijzer samen met de dokter, de notaris en de burgemeester tot de notabelen van het dorp. Anderzijds was het inkomen niet bepaald in overeenstemming met de positie die hij in het dorp bekleedde. Het salaris was en de pensioenvoorziening werden pas in 1878 bij wet geregeld. De "proletariër onder de intellectuelen" was daarom ook vaak gedwongen nevenfuncties uit te oefenen om toch enigszins rond te kunnen komen. Zo was het in Sint Hubert niet ongebruikelijk dat de onderwijzer tevens koster, organist en klokkenist van de plaatselijke kerk was.
Aanvankelijk kwamen de onderwijzers aan hun inkomen door rechtstreekse betalingen van de ouders. Uit het jaarverslag der gemeente Mill en Sint Hubert over 1855 blijkt echter dat het onderwijzend personeel der openbare scholen via de overheid werd voorzien van een inkomen. De hoofdonderwijzer te Mill ontving een landelijk traktement van ƒ 200,= per jaar plus een plaatselijke toelage van ƒ 30,= voor het onderwijs aan de kinderen waarvan de ouders geen schoolgeld behoefden te betalen. De hulponderwijzer in Mill moest het doen met een bescheiden inkomen van ƒ 75,= betaald uit de gemeentekas. De onderwijzer te Sint Hubert kreeg een traktement van ƒ 100,= per jaar. De extra toelage evenals die van zijn Millse collega bedroeg ƒ 30,= per jaar.
De overheid verhaalde de uitgaven voor het onderwijs, via de heffing van schoolgeld, op de ouders. Rekening houdend met een groot aantal kinderen dat uit een gezin kwam met arme dan wel minder bedeelde ouders, waarvoor het onderwijs kosteloos was, waren de uitgaven aan het onderwijs altijd groter dan de inkomsten.


Leerlingen

tabellen_aantal_leerlingen_1855-1897_mill_.jpg

Het aantal kinderen dat in de negentiende eeuw naar school ging nam snel toe ( Dolly Verhoeven, Een pront Wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie , p. 127).
Mill past wat dat betreft precies in dit plaatje. Het aantal jongens op de openbare lagere school te Mill neemt in de jaren 1855-1897 heel geleidelijk toe. Sint Hubert week vreemd genoeg sterk af.
Gingen in de wintermaanden van 1855 nog 48 jongens naar school. In 1897 was dat aantal gedaald tot 24. Het aantal meisjes in Mill en Sint Hubert, dat lager onderwijs volgde , leek met golfbewegingen te gaan. In januari 1855 bezochten 92 leerlingen de school. Het aantal steeg tot 112 in 1864 en het bleef stijgen tot 133 in 1871. Volgens het eerstvolgende jaarverslag dat in het gemeentearchief is aangetroffen, volgden in 1887 106 vrouwelijke leerlingen in de wintermaanden lager onderwijs. In januari 1897 is dat aantal weer gestegen tot 130.
Zoals ook uit de tweede tabel valt op te maken veranderde er vanaf 1872 veel voor de openbare lagere school te Mill. De school was een openbare instelling voor jongens en meisjes, maar steeds meer meisjes gingen naar de Rooms Katholieke meisjesschool.

De scholen in Mill werden door kinderen uit Mill en omringende dorpen bezocht. De openbare lagere school werd bijvoorbeeld voor een klein gedeelte bevolkt door kinderen van het landgoed Tongelaar. De kinderen moesten voordat ze in de Millse schoolbanken zaten een verre voettocht maken. De keuze voor de openbare lagere school te Gassel leek een logische keuze. De reden dat ouders toch kozen voor de school in Mill had te maken met de situatie rond de Beersche Maas. Gassel was bij tijd en wijle slecht bereikbaar. Daarnaast was de weg naar Gassel dermate slecht dat de Millse school een goed alternatief was.
Ook de Rooms Katholieke meisjesschool werd niet alleen bezocht door Millse leerlingen. Kerkelijke motieven zullen er aan ten grondslag hebben gelegen dat een klein gedeelte van de leerlingen uit de omliggende dorpen Beers, Escharen en Gassel kwam.


Schoolgeld

Zoals hiervoor al even ter sprake kwam , moesten de ouders schoolgeld betalen. Uitgezonderd waren de arme en minder bedeelde ouders.
Voor elk kind moest per maand schoolgeld worden betaald. In 1860 betaalden de ouders voor hun kinderen 12,5 cent per maand. Ontvingen de kinderen ook schrijfonderwijs, dan kwam daar nog eens 2,5 cent bij. In 1877 waren de schoolkosten voor de ouders opgelopen tot 60 cent voor 1 kind per kwartaal. Had men meerdere schoolgaande kinderen dan daalden de prijzen per kind.


Vakken, schooltijden, vakanties

De wet van 1857 schreef zeer expliciet voor wat er op een openbare school wel en wat er niet diende te worden onderwezen.
De vakken waren vanaf dat moment 1. rekenen; 2. de beginselen der vormleer; 3. het lezen; 4. Nederlandse taal; 5. aardrijkskunde; 6. geschiedenis; 7. kennis der natuur; 8. zingen. Godsdienstonderricht behoorde op de openbare school niet thuis. Hieraan hielden de scholen met hun doorgaans Rooms Katholieke onderwijzers zich goed.
De schooltijden volgens een concept gemeentelijke verordening uit 1861, waren als volgt: 's-Ochtends waren er lessen van 9.00 tot 11.00 uur. De kinderen konden dan naar huis tot 14.00 uur, waarna ze les kregen tot 16.00 uur. De ruime vakanties zoals wij die heden ten dage kennen waren toen absoluut onbekend. Vooropgesteld dat elk schoolgaand kind het gehele jaar naar school ging. De jaarlijkse vakantie werd vastgesteld door het College van B en W. Zeker was dat deze plaatsvond gedurende twee weken in augustus.


Leermiddelen

De leermiddelen zijn in de volgende tabel weergegeven.

leermiddelen_school_mill.jpg

Slot

In dit artikel zijn een aantal zaken aan bod gekomen ,die een beeld geven van het lager onderwijs in de gemeente Mill. De nadruk ligt daarbij op het openbare onderwijs. De bronnen lagen voor als archivaris voor het oprapen. Over het bijzonder onderwijs zal nog veel te schrijven zijn. Een belangrijke bron om deze tak van lager onderwijs beter te leren kennen is het Millse parochie archief. Op dit moment ( 1997 ) is dit nog niet in bewaring gegeven en nog niet openbaar. Wellicht dat hier in de toekomst nog verandering in komt, zodat ook de R.K. meisjesschool van de zusters Franciscanessen nog wat beter tegen het licht kan worden gehouden.

Auteur: Archivaris G.J.E. Hulsegge.

Bronnen: Archief der Gemeente Mill en St. Hubert 1811-1935
Heemkunde kring, Stichting Myllesheem Mill.

Literatuur:
• Hout, G van, Van Mil tot Mill 1800-1900
• Red. B. Kruithof , Geschiedenis van opvoeding en Onderwijs, Nijmegen 1994 p 66-86
• Verhoeven Dolly, Ten nutte van het opkomend geslacht, in Een pront wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie , Den Bosch 1993 p 125-157.
• Bogers , Ad, Hanengekraai: parochie St. Hubert 1796-1996 s.l. 1996, p 59-64
• Verhoeven, T.h., De materiele positie van de onderwijzers aan de openbare scholen, Historisch Jaarboek, Den Bosch 1991 p 9-47.
• Deckers L, De landbouwers van den Noordbrabantschen zangrond, Eindhoven 1912 p. 55-79.


De foto reportage die hieronder volgt komt niet overeen met het verslag van de geschiedenis van het lager onderwijs in de perioden 1850 tot 1900.
Daar voor vele mensen het school verleden een herinnering of een van herkenning is , hebben wij als redactie besloten deze onderstaande foto's te publiceren. De foto's hieronder zijn afbeeldingen van onderwijzend personeel en schoolgebouwen.


fotoreportage in voorbereiding voor publicatie.