Mill en de Joncfrouen en Heeren van Kuyc tot 1400


Als de Heer van Cuijk Wennemar en zijn zoon Jan samen overeenkomen met de Heer van Zoevenborne ende Joncfrou Jutten van Haeps (Haps) het lijfeigenschap, de status van horige, onvrije en courmensluden af te schaffen is het 25 april 1383.

zegel_van_Wennemar_en_Johanna_van_Kuyc.jpg

Als je dan bedenkt, dat 100 jaar later in 1492 Amerika wordt ontdekt en meteen al door Portugezen met slaven uit Afrika wordt overladen, kunt u zich voorstellen, welk een verschil er mentaal heeft bestaan tussen Noord en Zuid-Europa, let wel in het jaar 2000 een Europa.
Nijhoff schrijft daarover in zijn gedenkwaerdigheden ( uitgave 1839),-guijt vry sijn ende bliven , so waer sij in den lande van Kuyc gesten sijn, sitten ofte woonen solen-.
Ook Dirc van Hoorne, Heer van Perels, volgt dit besluit. Bovendien worden in de oorkonde nog expliciet genoemd-Boghem ende tot Wanrade-. ( Beugen en Wanroy). Ondanks enkele scheve schaatsen hadden de Heren van Cuijk veel credit bij hun overheden en genoten daarom ook de bescherming van onder andere de Hertogen van Brabant. Ze vochten mee in de slag bij Woeringen (1288) en bij Kortrijk (1302). Eerder hadden zij de de zijde gekozen van Gijsbrecht van Aemstel in zijn strijd tegen de Edelen van Holland (1220).
Betrekkelijk blijkt later het berijden van die scheve schaats in Abstede. Tenslotte pleegde Floris de Zwarte van Holland agressie buiten zijn domein, over de grens bij Lexmond. In 1133 kwam het bij Abstede tot een treffen met de ridders van Heer Herman van Cuijk. Floris en de zijnen hadden in die contreien niets te zoeken; het was destijds Cuyklands gebied. Wel verloor juist Floris daar het leven. Het was in de schemering. Het had evengoed een andere ridder geweest kunnen zijn, moord.. moord riepen de Hollanders. Meer omdat Floris eerder jaren daarvoor, was afgewezen door de Joncfrou Helwich, een nichtje van oom Herman Heer van Cuijk. Hem werd opzet in de schoenen geschoven.. Maar daarom hoeft Helwich nog niet tot in onze dagen blijven spoken op het slot Tongelaar.
Wie, in en om Mill, naar sporen zoekt van de Heren en Jonkvrouwen van het geslacht Van Cuijk komt bedrogen uit. Hoogstens vinden we in ouden akten, namen van hunnen getrouwen, lieden, die als getuigen optreden bij geschillen, grensbepalingen et cetera.
Dat zijn meestal nobiles (edellieden) zoals: Arnaud van Muelrepas (schout van Mill), Jacob van Midlar (Middelaar) dejonge, Arnoudt van Padbroocke (Padbroek Cuijk). Door bemiddeling van Heer Otto van Cuijk wordt een van de Midlars in 1308 zelfs burgemeester van Den Bosch.
De eind historie over de Van Cuijkse is zelfs bedroevend. De laatste telg is vrouwe Johanna van Cuijk (1365). Was ze getrouwd (?), sommigen zeggen: niet getrouwd, maar volgens Dr. Coldeweij in zijn boek Kuyc 1096-1400 (uitgifte 1981) wordt haar huwelijk op 15 december 1400 ontbonden. Ze zal kinderlos sterven omstreeks 1426. Men zegt op het Hof te Mill.
Terug naar onze lijfeigenen, de onvrijen, onze voorouders, de werkslaven in en om Mill van zowel de edellieden als abten; ze mochten op de hoeven wonen, hard en veel werken, soms met honderden tegelijk.
Dr. Bas van Bavel vertelt er over in zijn boek aangaande Erfgoederen van Marienweerdt 9uitgifte 1993), hoe zij de opbrengsten van de Millsche akkers naar de schepen in de Maas sleepten. Ondanks alles zijn toch uit die makkers na 1383, de knechten, boeren en boerderijbezitters voortgekomen. Begin 1500 komen al akten van overdracht voor in het oud rechterlijk archief Land van Cuijk met namen, die ons bekend in de oren klinken, Lampeler, Koermans, de Quaij, Pieck, Croeff en vele patronymisch benoemden.

Meer hierover in het artikel van de vrienden van Myllesheem genaamd -De Millse samenleving omstreeks de 14e eeuw-