De Kerk in Mill door de eeuwen heen.


COMPILATIE VAN HET BOEK 650 JARIG BESTAAN VAN DE PAROCHIE H. WILLIBRORDUS MILL.

luchtfoto_kerk_mill.jpg

luchtfoto Sint Willibrorduskerk Mill anno 1960


Naar aanleiding van het 650 jarig bestaan van onze parochie heeft het R.K. Kerkbestuur in mei 1976 een herdenkingsboek ,( uitgave 16 mei 1976) , uitgegeven over de geschiedenis van de parochie.
Dank aan de schrijver de heer A. Claassens en zijn medewerkers de heren T. v.d. Kieft en G. de Kruijf en de toen nog prille Heemkundekring Mill en het Gemeentebestuur van Mill.
Wij als huidige heemkundekring Mill zijn zo vrij geweest een compilatie te maken naar
aanleiding van bovenstaand herdenkingsboek.
Mocht u naar aanleiding van deze compilatie interesse hebben in het boekje neem dan gerust contact op met ons, misschien kunnen wij u verder helpen.

DE NAAM MILL.
Bij het verklaren van een plaatsnaam begeeft men zich dikwijls op glas ijs. Toch hebben velen een poging gewaagd en zijn tot verschillende conclusies gekomen. Geen enkele uitleg staat met zekerheid vast. De oorsprong van een plaatsnaam verdwijnt namelijk dikwijls in een oernevel.
De plaatsnaam komt het eerst voor in 1166 onder de benaming Millen. Later Mylle.
1e: De naam zou afgeleid kunnen zijn van het Latijnse Molendinum wat molen betekent. Hierbij stelt men zich dan voor, dat hier aan de rand van de moerassige Peel op de hogere zandgrond reeds in een zeer vroeg tijdperk een molen heeft gestaan, waar de boeren uit de omgeving hun granen konden laten malen. De nederzetting zal echter wel ouder geweest zijn dan de tijd, waarin men begon met het bouwen van molens in deze streken.
2e: Een andere mening is, dat Mill afgeleid kan zijn van het woord Millarium, mijlpaal. Hiermee wordt bedoeld, dat het woord Mill een zekere grensaanduiding zou beteken, namelijk de grens van de Peel.
3e: Een andere uitleg is, dat het woord Mill afgeleid zou zijn van Mijle, de afstandsmaat de mijl. Men is hiertoe gekomen door de afstand van de kerk en die van Meer te bepalen op een mijl. In de stichtingsacte van de parochie wordt namelijk gesproken over een leucam. Dit is een Gallische mijl.
4e: Ook denkt men, dat de naam is afgeleid van Millihaim, wat zou betekenen: het heem van de afstammelingen van Millo (een persoonsnaam).
De juiste bepaling van de betekenis van de plaatsnaam Mill zal voorlopig wel in het duister blijven.

SINT WILLIBRORDUS.
De Millse parochiekerk heeft tot patroon H. Willibrordus. Willibrord werd in 658 uit Angelsaksische ouders geboren. Zijn moeder stierf vroegtijdig en vader Wilgisl vertrouwde zijn zoon reeds op zeer jeugdige leeftijd toe aan de monniken van de abdij Ripon, dat zeer waarschijnlijk een Benedictijnerklooster was. Op de kloosterschool werd Willebrord voorbereid op het leven als monnik. Er werd les gegeven in lezen, schrijven en rekenen, muziek en zang en in de beginselen der aardrijkskunde en sterrenkunde, vakken die dienstig waren bij het berekenen van het Paasfeest en de indeling van het kerkelijk jaar. Later kwamen daar nog bij: spraakleer, latijn en Grieks.
Toen Willibrord onder de monniken van Ripon was opgenomen, verliet hij met toestemming van zijn abt dit klooster, en begaf zich naar Ierland om zich verder te bekwamen onder leiding van abt Egbert van Rathmeisigi. Twaalf jaar heeft hij hier doorgebracht en hier ontwaakte in hem het verlangen om aan anderen de waarheid van het geloof te gaan verkondigen.
In dit klooster leefden reeds lang plannen om de stamverwante Friezen, Saksen en Denen te bekeren. Abt Egbert had zelf al eens getracht de reis naar het vasteland te ondernemen, maar een hevige storm belette de zeereis. Een van zijn gezellen Wigbert, gaf de moed niet op, en landde veilig op de kust van het continent . Wigbert verbleef twee jaar bij de Friezen, maar moest onverrichter zake terugkeren, omdat de bevolking geen belangstelling voor zijn prediking toonde. Ongetwijfeld heeft hij zijn kennis en ervaring aan Willibrord medegedeeld, die in 690 de reis met 11 gezellen (12apostelen) naar Friesland ondernam.
De plaats, waar Willibrord aan land ging ligt waarschijnlijk in de buurt van de Rijnmonding. Daar de Friese koning zich in oorlog bevond met de Franken, verkoos Willibrord eerst naar Frankenland te reizen. Koning Pippijn wees hem het zuidelijke, pas veroverde gebied op de Friezen aan, als zijn werkterrein.
Frankische missionarissen werden hier om politieke redenen niet geduld. Willibrord was echter stamverwant en ook de taal kwam met de Franken overeen. In het zelfde jaar begaf Willibrord zich naar Rome om de paus op de hoogte te stellen van zijn plannen. Deze schonk hem kostbare relieken voor de door Willibrord te bouwen kerken en kapellen. Bij zijn terugkeer vestigde Willibrord zich te Utrecht, waar zijn arbeid echter nog zeer weinig vrucht opleverde door de tegenwerking van de Friese koning Radbod.
Op aandringen van Pippijn vertrok Willibrord weer naar Rome om daar de bisschopswijding te ontvangen. Paus Sergius I zag Utrecht als middelpunt van de Friese kerk en wijdde Willibrord tot bisschop der Friezen. Pippijn zorgde voor voldoende middelen om de gezellen te onderhouden en de nodige kerken en kapellen te bouwen. De Friezen toonden zich echter zo afkerig dat Willibrord aanvankelijk genoodzaakt was zijn werkterrein te verleggen naar Taxandria (Brabant). Hier lag nog een bijna geheel ongekerstend gebied voor hem open, hoewel de H. Lambertus, bisschop van Maastricht hier reeds werk verrichte. Van vele plaatsen in Brabant is bekend, dat Willibrord er verbleven heeft, of zelfs een kerk gesticht heeft, of een reeds aanwezige Germaanse put wijdde om met het aldus gezegende water de nieuwe bekeerden te dopen. Onder andere bij Oss.
Zeker is ,dat Willibrord door schenking van grootgrondbezitters de grootste grondbezitter van Brabant werd. Men schat de gezamenlijke oppervlakte op 20.000 hectaren. De opbrengsten uit deze bezittingen werden aangewend ter ondersteuning van de missie. Geld was er nog weinig in omloop. Gekocht en betaald werd met producten als koren eieren, hout en vlees.
Oordelend naar het vele werk, dat Willibrordus in onze gewesten verricht heeft, het aantal kerken, dat hij er tot patroon heeft, ongeveer 25, de bezittingen die hij er verwierf, kan men Willibrord evengoed de apostel van Brabant, als de apostel der Friezen noemen.
Na zijn verblijf in Brabant, verbleef Willibrord enige tijd in het land der Denen. Daar nam men de prediker gevangen nadat, hij enkele heilige koeien had laten slachten en leverden hem uit aan de koning, die hem echter ongedeerd liet vertrekken. Na zijn terugkeer begon Willibrord weer het geloof te verkondigen bij de Friezen, maar met zo een gering resultaat, dat hij weer naar het zuiden trok. Zijn reizen strekten zich zelfs uit tot in Thüringen. In Trier ontmoette hij de vrome Piectrudis, die hem een landgoed schonk te Susteren, waar later een abdij gesticht werd. Kort voor zijn dood schonk Willibrord al zijn goederen aan de abdij Echternach, die hem geschonken was door abdis Irmina van Trier. Echternach werd een bolwerk, van waaruit de missionarissen vertrokken, een thuisfront vonden en een rustplaats na gedane arbeid.
Op 7 november 739 stierf de grote Verkondiger te Echternach, dat nog steeds een bedevaartsplaats is ter ere van de grote heilige. Hier wordt reeds 400 jaar de springprocessie ge houden, die tot intentie heeft, de bescherming tegen vallen ziekte of St. Vitusdans. Willibrords relikwieën worden nog in de basiliek bewaard, zijn rustaltaar bevindt zich te Trier en zijn kazuifel in de kerk van Aldeneyck (België).
Of de H. Willibrord ook heeft verbleven in Mill is niet bekend. Hij is wel altijd patroon geweest van de Millse kerk. Uit het Cartularium van de abdij Marienweerd blijkt, dat Bartholomeus, abt van Echternach aan Marienweerd in 1227 een praedium verkoopt en een allodium afstaat. Hieruit zou men misschien kunnen afleiden dat reeds Willibrord goederen te Mill bezat en daaruit zou dan zijn patronaat schap van de kerk verklaard kunnen worden.
Aanwijzingen, die Willibrord als patroon van de Millse parochiekerk verklaren, zijn er echter niet.
Niet alleen de kerk heeft Willibrord tot patroon, maar ook de grootste kerkklok, de vroegere zuivelfabriek, het voormalige patronaat, later Ulo school en nu Mavoschool en de Millse harmonie. Eveneens het dorp Wilbertoord.
Met het patronaat van de Harmonie zou Willibrord misschien niet zo gelukkig zijn geweest, daar deze het gebruik van het dauwtrappen weer heeft ingevoerd op de eerste zondag van mei 's morgens vroeg. Het gebruik stamt namelijk uit de tijd van de Germanen, die ter ere van Eostra de godin van de lente, bij het begin van dit jaargetijde, om haar te bedanken, dat ze het mooie weer en de vruchtbaarheid van de aarde weer terugkomen, optochten hielden door de akkers en door het natte gras rolden, want door de meidauw, gaf Eostra kracht aan het lichaam. Willibrord zal er zeker moeite mee gehad hebben de heidenen deze gebruiken af te leren of er een Christelijke tint aan te geven.
De parochiekerk bezit enkele mooie houten beelden van de H. Willibrordus. Het ene is afkomstig van de oude preekstoel, het andere gekocht door Pastoor Maas, een ijverig beoefenaar van de heemkunde en een vriend van oude gebruiken.
Willibrords feest wordt gevierd op 7 november. Jaarlijks wordt in de parochie nog op de zondag na 7 november de kinderzegen gegeven, wanneer de moeders met hun kleine kinderen naar de kerk komen om Willibrordus zegen voor hun kleien te vragen.

DE KERK VAN MILL GEZIEN IN HET GROTE GEHEEL.
Om een beter inzicht te hebben in Mills parochiegeschiedenis is het nuttig eerst de kerkgeschiedenis in een breder verband te plaatsen om daarna meer de specifieke, voor Mill belangrijke feiten te bespreken.
Voor 1559 behoorde het Land van Cuijk tot het Aartsbisdom Keulen dat onverdeeld was in een aantal bisdommen, van welke voor ons het Bisdom Luik van belang was, daar wij hiertoe behoorden. De Maas was de noordoostelijke grens. De oorsprong van het bisdom ligt omstreeks het jaar 700, toen de bisschoppelijke zetel van Tongeren naar Luik werd overgeplaatst. Het bisdom was onderverdeeld in 8 zogenaamde Aartsdiakonaten . Het land van Cuijk lag in het gebied van het Aartsdiakonaat Kempenland. De Aartsdiaken bekleedde een belangrijke positie. Aan hem was namelijk een gedeelte van de bisschoppelijke rechtsmacht gedelegeerd. Hij had een eigen (curie) gerechtshof met een groot aantal ambtenaren.
Het Aartsdiakonaat Kempenland bestond uit 361 parochies, die waren verbonden in 7 Dekenaten, waaronder het Dekenaat Cuijk. De deken was, zoals ook nu nog bemiddelaar tussen de bisschop, respectievelijk de aartsdiaken enerzijds en de pastoors anderzijds. Een dekenaat telde theoretisch 10 parochies. Het dekenaat Cuijk was echter veel groter en omvatte er meer dan 50. Het strekte zich uit van Orthen tot Blerick in een brede strook langs de Maas. Ook 's Hertogenbosch behoorde tot dit dekenaat. De deken van Cuijk werd door de vergadering van pastoors gekozen voor het leven. De taak van de Middeleeuwse deken was vrijwel dezelfde als die van tegenwoordig.
De parochie. De Parochiekerk (hoofdkerk), ook wel ecciesia baptismalis genoemd moest worden gesticht door de bisschop of ook wel door de aartsdiaken. Hiervoor moesten de nodige bronnen van inkomsten beschikbaar zijn uit bijvoorbeeld grond en tienden en verdere offergaven voor het onderhoud van de geestelijken, het kerkgebouw en de armen. Sedert de 13e eeuw werden deze zaken beheerd door kerkmeesters.

DE PERIODE 1559 - 1602.
Toen Karel V Heer der Nederlanden was geworden en een bestuurlijke eenheid in het Heilige Roomse Rijk de Duitse Natie had geschapen leek het hem wenselijk, dat de Lage Landen ook een eigen aartsbisdom gingen vormen. Na veel strubbelingen , het werd zelfs een van de aanleidingen van de 80-jarige oorlog, werd in 1559 bij de bul Super Unitas door Paus Paulus IV de nieuwe indeling een feit. De Nederlanden vielen voortaan onder het aartsbisdom Mechelen, met voor ons Bisdom Roermond. Het dekenaat Cuyk werd veel kleiner. Het strekte zich in een brede strook uit van Cuijk tot Maashees. De zetel van de deken werd overgeplaatst naar Grave (bestuurlijk middelpunt van het land van Cuyk) , maar de benaming bleef Dekenaat Cuyk.
De tweede helft van de 16e eeuw vormde een woelige tijd door de Reformatie. Pas in 1569 kon de Roermondse bisschop Lindanus bezit nemen van zijn gebied. In grote gedeelten van het bisdom had de bisschoppelijke macht geen invloed, door het Protestantisme. In het Land van Cuyk had de Hervorming echter weinig aanhang. In het jaar 1602 werd Grave door Prins Maurits veroverd en de katholieke godsdienst aldaar verboden. De rest van het Cuykse land vormde lange tijd een twistappel tussen de Staatsen en de Spanjaarden. De deken van Cuyk verbleef toen voortaan in Boxmeer, dat een vrije Heerlijkheid was.

DE PERIODE 1602 - 1801.
In de 17e eeuw veranderde er organisatorisch niet veel , hoewel het bisschoppelijk gezag door het Concilie van Trente krachtiger werd. Na verloop van tijd werd de deken ook niet meer door de parochiegeestelijken gekozen . Het dekenaat Cuyk viel onder het gezag van de Staten-Generaal, die de katholieke godsdienst met wortel en tak wilden uitroeien, maar daar de de Oranjes nogal soepel waren en de katholieken ook na de inval door de Fransen in 1672 trouw bleven aan het staatsgezag werd de houding van de protestantse overheid milder. Na 1700 verschenen er oogluikend en zelfs in het openbaar schuilkerken.
De Roermondse bisschop kon zelfs op sommige tijden visitatiereizen afleggen. De katholieken in het Land van Cuyk waren wel hun parochiekerken kwijt, en zij konden geen hoge ambten bekleden. Deze toestand duurde voort tot 1795, bij de komst van de Fransen. De laatste Roermondse bisschop was Baron Johannes Baptista van de Velde de Melroy, een Belgisch edelman. Hij resideerde van 1794 - 1801. In 1801 stoor Paus Pius VII een concordaat met de Franse keizer Napoleon, waarbij het bisdom Roermond werd opgeheven.

DE PERIODE 1801 - 1840.
Van 1801 - 1840 vormde het Land van Cuyk een deel van het overgebleven Bataafse deel van het opgeheven bisdom Roermond. Hierover bleef bisschop van de Velde de Melroy de scepter zwaaien. Hem restte nog de dekenaten Cuyk, Nijmegen en Druten. Hij vestigde zich in 1802 te Grave in de Rogstraat. Deze bisschop heeft als zielenherder enorm hard gewerkt. Honderden priesters zijn door hem gewijd en aan enorme aantallen gelovigen in het hele land heeft hij het Vormsel toegediend. Hij was echter een typische man van het Ancien Regiem. Hij werd al spoedig aalmoezenier van koning Lodewijk Napoleon en bekleedde vele andere kerkelijke functies en ereposten, zodat hij dikwijls afwezig was en zich te Brussel bevond.
Zijn secretaris Consgen behandelde de meeste zaken voor het Land van Cuyk. In 1818 werd Consgen officieel aangesteld als apostolisch administrator met naast zich als mede vicaris-generaal Hermans. Van de Velde overleed in 1824. Consgen in 1827. Hermans bleef toen alleen over als apostolisch generaal over het mini bisdom. Dit bleef duren tot 1840.

DE PERIODE 1840 - HEDEN.
Toen Willem de Tweede, die de katholieken gunstig gezind was, koning was geworden in 1840, richtte de paus de apostolische vicariaten Den Bosch en Limburg op. Ons miniatuurbisdom werd het Bisdom 's Hertogenbosch toegevoegd. Hermans nam in goede verstandhouding ontslag en overleed kort daarna.
Aanvankelijk was er nogal wat weerstand tegen de aansluiting bij Den Bosch onder de geestelijkheid. Er werd nogal wat gemord en de gang van zaken werd diep betreurd. De tijd heelt echter alle wonden. Het dekenaat Cuyk werd op de duur te groot. In 1920 werd het in twee delen gesplitst, het dekenaat Cuyk en het dekenaat Boxmeer.

abdij_Marienweerdt.jpg

DE ABDIJ MARIENWEERD.
Mill bestaat als plaats al veel langer dan 650 jaar. Het eerste schriftelijk bericht over het bestaan van Mylle vinden wij in het cartularium van de abdij Marienweerd te Beesd bij Gorcum. Deze abdij heeft een grote invloed gehad op de geschiedenis van ons dorp en in het bijzonder van de parochie. Het is daarom dienstig eerst iets van deze abdij Maria in Insula of Marienweerd te vertellen, voor een beter begrip van de geschiedenis van onze parochie. In het jaar 1120 stichtte de H. Norbertus van Gennep, geboren in 1080 te Xanten, zijn orde de Norbertijnen of Wit heren. Hij bouwde zijn eerste klooster bij Laon in Frankrijk, in en vallei, Premontre genaamd , zodat zijn orde ook genoemd wordt de Orde van Premonstreit.
Een van de doelen van Norbertus kloosterstichting was goede hulptroepen te leveren in de zielzorg, die zich in deze jaren steeds meer uitbreidde. Er werden in zijn kloosters goede parochiegeestelijken gekweekt, die later werden ingezet in de parochies. Her was omtrent deze tijd ook niet al te rooskleurig gesteld met de parochiegeestelijkheid, de lagere geestelijkheid was namelijk, zeer slecht onderlegd. De Orde verspreidde zich zeer snel over heel Europa en reeds in 1129 werd een klooster gesticht in Beesd aan de Linge. Een groep kanunniken uit Laon bevolkte de nieuwe stichting. De eerste prelaat was Robertus een bloedverwant van de Engelse koning, die het klooster dan ook enkele schenkingen deed.
Over de wijze en door wie het klooster precies gesticht is verschillen de historici van mening, maar zeker is, dat de Heren van Cuyk hierbij genoemd moeten worden. Deze Cuykse heren hebben namelijk herhaaldelijk moeilijkheden gehad met de graven van Holland. Zo werd in
1061 tijdens de 3e Hollands-Utrechtse oorlog, Floris I van Holland door Herman van Cuyk gedood, na de slag bij Nederhemert. De bisschop van Utrecht Andreas van Cuyk, werd aangesteld als scheidrechter tussen de twee partijen en dit heeft ertoe geleid dat Alverade van Cuyk met toestemming en op verzoek van haar twee zonen Herman en Godfried in 1128 de abdij heeft gesticht om hierdoor de bloedschuld in te lossen. De abdij ontving schenkingen in goederen van de Cuyksen in Maas en Waals gebied .
De twisten tussen Holland en Cuyk waren echter nog niet helemaal bijgelegd, want in 1132 reeds doodde Herman van Cuyk de broer van de Hollandse graaf, Floris de Zwarte, bij Abstede, waarna de Hollanders het land van Cuyk te vuur en te zwaard verwoesten.
Na deze tijd is de abdij Marienweerd door de Heren van Cuyk begiftigd met vele goederen in het Land van Cuyk. Zo zijn waarschijnlijk oorspronkelijk bezittingen geweest van de Cuykse Heren: De Hof ten Hove, later gesplitst in de Kapelhof, of de Halve Hof ten Hove, en de Anderhalve Hof ten Hove. Deze Hoven zijn waarschijnlijk identiek met het goed Pisla. Ook bezat de abdij de Vloet en goederen op Hal. De Hof aan de kerk (plaats tegenwoordige Mavoschool) en de Hof aan het Hekke behoorden waarschijnlijk aan de Heren van Cuyk.
Dat er reeds voor 1160 Norbertijnen te Mill gevestigd waren blijkt uit het feit dat Hendrik bisschop van Luik in dit jaar de Abdij Marienweerd toestaat, de Heilige dienst op het goed Pisla te verrichten en de broeders aldaar te begraven. Er mag dus verondersteld worden, dat Pisla een zogenaamde buitenhof of curtis was. Hierin woonden meestal enkele kloosterbroeders, die de boerderij verzorgden, waarbij zich meestal ook een kapel bevond. Deze kapel zou misschien voorloper kunnen zijn van de huidige kapel ruïne.
Op 25 juli 1160 schenkt Hendrik van Luik de abdij vrijstelling van tiendheffing en andere lasten voor haar goed Pisla en bepaalt, dat de olie voor de zieken aldaar door de deken verstrekt zal worden. In latere jaren komt de abdij nog in het bezit van vele landerijen, boerenhofsteden en rechten te Mill.
Zo schenken in 1211 de Heren Hendrik en Godfried van Arnsberg een halve Hoeve in Halle. Er is ook reeds vroeg sprake van een kapel op Halle.
Op 3 augustus 1284 verklaart Hilla, dochter van Gosewijn van Mille, reeds voor zeven jaren aldaar goederen aan Marienweerd te hebben geschonken.
In 1293 schenken Daniel van Mille en Hilla zijn echtgenote al hun goederen aan de abdij Marienweerd en in 1307 schenkt Hilla al haar goederen in het Land van Cuyk gelegen Hof te Mill. Deze Hilla schijnt de abdij een goed hart te hebben toegedragen.
In 1310 staat Jan, Heer van Cuyk tegen een jaarlijkse uitkering de watermolen bij Mill aan Marienweerd af, zo ook het water Meerstal. Hij geeft ook toestemming de watermolen te vervangen door een windmolen. Het belangrijkste voor de geschiedenis van de parochie is echter, dat Jan, Heer van Meer, het patronaatsrecht der kerk van Mill aan Marienweerd schenkt in 1323. Dit houdt in, dat de abdij van Marienweerd het recht verkrijgt tot het voorstellen van een pastoor aan de bisschop, die benoemde. Dit was een belangrijk recht, daar het ook het innen van de tienden inhield.
In 1331 verklaren Arnold Meulrepas, schout en andere ingezetenen van Mill, dat Jan van de Voerlaar en zijn echtgenote Bertradis, aan Marienweerd het goed, "ten Voerlaar" verkocht hebben.
In 1340 staat Everard van Halle aan Geneken, des abts knaap, een hofstede in Hal af, met zijn rechten daarop.
Op 5 juli 1346 sluiten de Abdij Marienweerd en de Kerk van Mill een overeenkomst met Otto, Heer van Cuyk, betreffende de vruchtbaarmaking van in parochie gelegen gronden, welke door hen niet zonder zijn machtiging kunnen worden ondernomen. Zij geven de grote en kleine tienden der vruchten welke die gronden zullen opleveren aan die Heer in erfpacht uit tegen 9 L jaarlijks aan de kerk van Mill te voldoen. De heer van Cuyk belooft tevens, dat bij de verdeling der gronden een gedeelte daarvan naar recht en billijkheid, tiendvrij, aan genoemde abdij en de Kerk van Mill zal worden toegewezen. Hieruit zou kunnen worden afgeleid, dat de monniken een rol gespeeld hebben bij het in cultuur brengen van moerasgronden.
De abdij heeft tijden van bloei en verval gekend. In 1427 werd het klooster door moedwil in de as gelegd. Ook in later jaren onder andere onder de Prelaat Dirk Pels, werd het klooster door een bende vrijbuiters onder aanvoering van Gijsbert Piek geplunderd. Door de reformatie deelde de abdij het lot van vele andere kloosters en door de confiscatie van al de goederen is de abdij geheel verdwenen. De abdijgoederen in de Betuwe werden aan de domeingoederen van het Kwartier van Nijmegen gehecht, en zijn in 1738 aan het geslacht van Bylandt verkocht.
Het goederenbezit van Marienweerd in het Land van Cuyk was in de 16e eeuw verpand aan de Stadhouders van Oranje. Dit pandschap werd in 1613 door Maurits ingelost. Deze was sinds 1611 Heer van Cuyk, als opvolger van zijn vader Willem van Oranje, de zwijger , op wie het pandheerschap van de Egmonds was vererfd.
Bij reces van 4 juni 1613 schonken de staten van het Kwartier van Nijmegen aan Prins Maurits in zijn kwaliteit van stadhouder en wegens zijn verdiensten als zodanig "alle recht gesach ende dispositie soo de abdie van Marienwerdt (waarvan het corpus in deesen Quartier is gelegen) eenichsins heeft aan guederen in den lande van Cuyk, onder Mill, Escharen, op Halle ende in den lande van Ravenstein gelegen, e gene uutgesondert", waarvoor de Prins alle lasten op zich zou nemen met inbegrip van het onderhoud van pastorieën en kerken.
Als goederen werden genoemd: De Santvoort, de Schaapsdijk de eerste helft van de Logt, de tweede helft van de Logt, Hooghal, eerste en tweede helft, Volre , eerste en tweede helft, de Nieuwenhof, de Vloet, De hof aan het Hekken, de Hof ten Hove ,de Hof aan de Kerk, tienden, een stuk Peel en nog 19 percelen onder Mill. Dit verklaart dat de Marienweerdse goederen te Mill, nadien tot de Nassause domeinen behoorden en ten slotte tot het Kroondomein.

DE STICHTING VAN DE PAROCHIE.
Voor 1323 bezat Mill reeds een kerk of kapel, maar deze was afhankelijk van de Moederkerk te Meer en de Pastoor van Meer bediende beide kerken.
Wat moeten wij verstaan onder Meer? De mening die het meest verbreid is zegt, dat met Meer bedoeld is Boxmeer. De Heer van Meer was Jan Boc de Meer, die in 1323 het patronaatsrecht van de kerk van Mill schenkt aan de Norbertijnen van Marienweerd . Van de naam Boc de Meer is de plaatsnaam Boxmeer afgeleid, een oud vrij grondgebied voortgekomen uit het Land van Cuyk, dat de Heren van Meer als Baronie bezaten.
De Boxmeerse kerk is dus de Moederkerk van Mill, zoals ze dit was van meerdere kerken in de omgeving, zoals van Ledeacker en St. Anthonis (Oelbroek). Jan Boc de Meer zal zeker wel op goede voeten gestaan hebben met de Marienweerders, anders zou hij zo een belangrijke schenking waaraan ook het recht tot het innen van de tienden verbonden was, niet gedaan hebben. Deze schenking behoefde natuurlijk de toestemming van vele autoriteiten die erbij betrokken waren
Uit het cartularium van Marienweerd blijkt nu dat Jan, Heer van Meer, het patronaatsrecht schenkt aan de abdij met medewerking van zijn broer Willem van Meer. Hij had het patronaatsrecht in leen van Heer Otto van Cuyk, die zijn toestemming geeft voor deze schenking in 1323.
Op 18 april 1324 verzoekt Jan van Meer de bisschop van Luik deze gift te bevestigen en deze kerk tevens Moederkerk van Meer af te scheiden tot heil zijner ziel en tot zielenlafenis van zijn voorzaten.
Op 16 mei 1324 geeft Hendrik van Xanten, pastoor te Meer, toestemming tot de scheiding . Hij noemt in het bijzonder de grote afstand, die er ligt tussen de Moederkerk en die van Mill. Ook overstromingen in de winter maken de bediening van de kerk van Mill zeer moeilijk.
Op 12 november 1325 relateert de bisschop van Luik Adolph van der Mark dat Jan van Meer het patronaatsrecht van de kerk van Mill heeft overgedragen aan de abdij Marienweerd en dat na de dood of afstand van de huidige pastoor een geschikt persoon tot pastoor van Mill zou kunnen worden voorgedragen en tevens, dat de geestelijken van Marienweerd de scheiding verzochten. De bisschop beveelt de deken van Cuyk en de pastoor van Nistren (Nistelrode) te Meer en Mill een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar het inkomen en de lasten van elk dier kerken en naar alle andere omstandigheden, die betrekking hebben op de scheiding , met de opdracht aan de deken om dit onderzoek zonder de pastoor te bewerkstelligen.
Op 8 december 1325 deelt de bisschop van Luik mede, dat voor hem verschenen is Jacob van Zuilichem, als gemachtigde van de abdij Marienweerd en legt in deze oorkonde de uitkomst neer van het door Arnold, deken van Cuyk, ingestelde onderzoek ter zake van de scheiding van de kerken van Mill en Meer. In zijn verslag van 29 november 1325 verklaart de deken, dat hij alle belanghebbenden voor zich heeft verschijnen en dat hij ijverig het door de bisschop onderzoek heeft ingesteld.
Uit dit onderzoek blijkt onder andere:
a) dat de inkomsten der kerk te Meer ten bedrage van 30 L 's jaars, de pastoor in staat stellen in zijn onderhoud te voorzien, de kerkelijke rechten te voldoen en tevens de gastvrijheid, verschuldigd aan doorreizenden te bewijzen, aangezien de levensmiddelen overvloedig zijn en er weinig vreemdelingen doorkomen.
b) dat deze kerken ruim een mijl van elkaar verwijderd zijn langs een slechte moerassige weg, zodat een geestelijke de kerken niet beide kan bedienen en ook, dat de scheidingslijn door de Hulsbeke getrokken kan worden.
c) dat de inkomsten van Mill ruim zoveel bedragen als voor Meer is opgegeven en dus voor de gezegde doeleinde eveneens voldoen.
Op 9 december 1325 geeft de bisschop van Luik dan ook, de gronden overwegende waarop de scheiding dier kerk van die te Meer wordt verlangd, zijn goedkeuring aan deze scheiding en scheidt hiermede de beide kerken.
Op 12 december 1325 doet Hendrik van Xanten, pastoor van de kerk te Meer in handen van Reinoud aartsdiaken van Kempenland afstand van zijn rechten op de kerk van Mill, opdat de abdij Marienweerd van zijn recht tot voordracht gebruik kan maken.
Op 15 mei 1326 (op vrijdag na Pinksteren) hecht Reinoud de Filius Ursi , aartsdiaken van Kempenland zijn goedkeuring aan de scheiding, die door de bisschop van Luik is bewerkstelligd . En hiermede is de hele procedure rond. Waarmee duidelijk wordt, dat ook in het verleden alles over vele radertjes liep en de ambtelijke molen langzaam draaide.
In het voorafgaande is verondersteld, dat de Heer van Meer, Jan Boc de Meer ( van Boxmeer) was. Er is echter een andere opvatting hierover. Volgens deze andere lezing zou dan onder de Heer van Meer worden verstaan de Heer van de Meere, zoals er bijvoorbeeld, ook een Heer van Haps was, die goederen en rechten van de Heer van Cuyk in leen had. De oude kerk waarvan de kerk van Mill afgescheiden is zou dus gestaan hebben in de Meere. Een van de redenen tot scheiding van de kerken is namelijk, dat de afstand Meer-Mill voor de pastoor een moeilijkheid vormde door de moerassige weg. De naam Meere zegt al, dat dit moerassig gebied moet zijn geweest. Eveneens is het feit, dat de kerken een mijl van elkaar verwijderd lagen een aanwijzing. En last but not least, dat de scheiding gevormd werd door de Hulsbeke (de Heulse beek?), genoemd naar de buurtschap de Heul. Deze beek werd ook genoemd de Kerkse beek, voordat ze vergraven werd tot een deel van het Defensiekanaal in 1938-1939. In de winter zal deze beek zeker dikwijls buiten zijn oevers getreden zijn. De oudste kerk van Mill zal gestaan hebben in de buurt van Hof ten Hove ( vroegere woning van Heer Vermeulen ). De plaats waarbij zich ook al de Norbertijnen in de 12de eeuw gevestigd hadden. Misschien was het de kapel van Maria ten Hove. In 1656 woonde pastoor nog op de Weem, gelegen tussen de kapelruïne en de Hof ten Hove. Er is ook sprake van een Hof aan de kerk ( op de plaats van de tegenwoordige Mavoschool ), zodat ook aangenomen zou kunnen worden, dat de oudste kek van Mill reeds gestaan heeft op het oude kerkhof , het tegenwoordige Acacia Hof. Er zijn echter geen aanwijzingen die met zekerheid de plaats aanduiden, zodat het voorlopig wel bij gissingen zal blijven.

DE MARIENWEERDERS.
Vanaf de schenking van het patronaatsrecht aan de abdij van Marienweerd door Jan Boc de Meer in 1323 zijn 3 eeuwen lang kanunniken van deze abdij pastoor geweest te Mill. De gegevens over deze tijd zijn zeer summier, zoals in het algemeen niet veel bekend is over het Middeleeuwse dorpsleven. De juiste tijdperken, waarin de pastoors de Millse kerk hebben geleid zijn niet vast te stellen. De jaartallen geven de jaren aan waarin de pastoors in oude stukken voorkomen.
In 1400 was pastoor te Mill, Andreas Pop. Hij trad vrijwillig af en werd opgevolgd door Johannes van der Sloet. In 1421 wordt genoemd Theodorus Spuelre. Deze was absent. Dit absenteïsme komt veel voor in de tijd voor het Concilie van Trente. De pastoor ontving wel de inkomsten, maar er werd door hem dan een ander priester aangesteld om hem in de parochie lijfelijk te vervangen. Hierdoor moest de eigenlijke pastoor een boete betalen aan de bisschop . Uit een pouille' (schattingslijst) van 1421, blijkt nu, dat Theodorus Spuelre 3 scutum moest betalen voor zijn afwezigheid en het hebben van een plaatsvervanger.
Deze plaatsvervangers werden ook wel gekozen uit de beneficianten van de verschillende altaren in de werk. In 1427 komt voor Johannes Braetbeke, ook absent. In 1436 en 1438 Johannes van Brakel. Deze Johannes nam het niet zo nauw met het onderhouden van de wet van het celibaat. Dit kwam nogal veel voor in deze tijd. Hij had nogal belangstelling voor zijn huishoudster en moest voor het feest van Allerheiligen in 1436, 1 Rijnsgulden betalen. Veel scheen Johannes hiervan niet geleerd te hebben want in 1437 op het feest van St. Michael moest hij voor hetzelfde feit nog eens een gelijk bedrag betalen. Hij was halsstarrig in de boosheid, want voor het feest van St. Remigius in 1438 moest hij nog eens 2 Rijnsguldens dokken. Het is niet de bedoeling een chronique scandaleuso op te hangen, maar om duidelijk te maken , dat een dergelijk vergrijp in de Middeleeuwen af te handelen was met geld.
In 1441 wordt weer genoemd als pastoor Johannes Braetbeke. In 1456 Udo Meekeren. Op 20 juni 1456 komen de prior van Marienweerd en nog 20 andere fraters te Grave bijeen in vergadering en bepalen , dat Dirk Spuelre pastoor zal worden in Mill. Deze Dirk (Theodorus) Spuelre, ook genoemd als pastoor van Mill in 1421, was abt geweest van Marienweerd. Hij was dit geworden in een tijd, waarin het zeer slecht ging met het klooster, omdat er enkele elementen vertoefden die het klooster veel nadeel bezorgden. Na lang aanhouden van zijn medebroeders had hij het bestuur over de abdij aanvaard, na het ook al eens afgewezen te hebben. Onder zijn bestuur ging de abdij weer een tijdperk van betrekkelijke bloei tegemoet. In 1456 zal het hem echter te veel geworden zijn en hij vroeg ontslag. De nieuwe abt werd Johannes Braetbeke, die zoals wij zagen ook al pastoor geweest was te Mill. Udo van Meekeren deed vrijwillig afstand als pastoor van Mill ten gunste van Dirk Spuelre. Een gedeelte uit het officiële verslag van de vergadering:...... alsdat onse lieve here ende vader, here Dirck Spuelre onse abt voirgen, die des om synre altheyt ende om krancheyt wille syns lyffs, en mede om sonderlinghe anderen noetsaken wille, hem dairtoe dringende, vlitelick ende oetmoedellick, van ons begherende was, syn abdie ende prelatuerscappie guetwillick resigneren wolde en solde, beheltelick doch denselven tot synre noetdroften myt der kercken van Mylle, in den lande van Kuyck, geleghen, die Ude van Meekeren, canonic voirgen, nu ter tyt oic besete hebbe , ende dairomme gherne resigneren wille in maten hierna bescrevenen etc..
In 1464 wordt Theodorus Spuelre nog genoemd als pastoor. In 1460 is hij tijdelijk ontheven geweest van zijn functie en hij werd zelfs geëxcommuniceerd, waardoor hij vrijwillig op 21 april 3 Rijnsguldens betaalde. Waarvoor hij bestraft werd is niet bekend, maar in de Middeleeuwen was de kerk nogal kwistig met het uitreiken van excommunicatievonnissen.
In 1469 en 1473 komt voor Theodorus de Gravia (van Grave). Na hem is waarschijnlijk pastoor geweest Nicolaus Tremoniensis .
In 1485 wordt genoemd Theodorus Peels, absent en vervangen door Philippus Schoen. Peels stierf in 1500.
In het jaar 1489 moest het kerkhof van Mill opnieuw worden gezegend en gewijd, omdat er op de gewijde aarde bloed gevloeid was, hetgeen dir kerkhof bezoedeld en geschonden had. Wat was er namelijk gebeurd? Een zekere Anthonius van de Hoeven uit Cuyk , had op de gewijde plaats van het kerkhof de clericus Johannes van Venrode, die daar uit lijfsbehoud was heen gevlucht, verwond. Hij werd daarbij geholpen door Arnold en Godefridus uit Escharen. Deze drie heren moesten hiervoor in 1492 40 Rijnsgulden boete betalen, een niet gering bedrag.
Tussen 1510 en 1536 was herder van de parochie Johannes Dald(e). Deze pastoor is blind geworden.
In 1519 moest een zekere Johannes, de bedienaar van het altaar van de H. Maagd Maria in de parochiekerk van Mill tussen vastentijd en Pinksteren 3 gulden betalen, om van zijn excommunicatievonnis af te komen, dat hij opgelopen had omdat hij een zekere Gerardus
Dalt een ongehuwde clericus, had aangevallen. Hij had namelijk diens beide armen met twee wonden versierd, uit vrees, dat hij door hem zou worden aangevallen.
Tussen 1540 en 1550 was pastoor Johannes Ypelaar van Aelst. Hij stierf in 1550 . Hij werd opgevolgd door Gosewinus v. Arnhem.
In 1566 doet afstand als pastoor van Mill Johannes Beyrss (van Beers). Deze pastoor werd in 1566 tot proost van de Norbertinernonnen te Conincksveld bij Pijnakker gekozen en kreeg na de verdrijving van deze nonnen in 1573 een beneficie in de kerk van Beers.
Van 1566 tot 1603 regeert dan de krachtige pastoor Floris van Cattenborgh. Deze wordt wel eens de laatste pastoor van de Marienweerders genoemd te Mill, maar in de lijst van kanunniken van Marienweerd wordt ook nog een Balduinus Althuesden genoemd als pastoor van Mill.

DE HUIDIGE KERK.
In 1874 werd de kerk op het oude kerkhof in bouwvallige staat verklaard. Op 15 januari 1875 komt het kerkbestuur bijeen om de zaak van de in deplorabele toestand verkerende kerk te bespreken. Zij oordellen, dat de kerk niet bouwvallig is, maar er komen grote onkosten aan. Daarbij komt nog, dat de kerk veel te klein is. De reparaties zouden een bedrag van fl. 9000,-- gaan belopen. Daarom besluit men op 31 januari de zaak aan de bisschop voor te leggen. Op 7 februari had pastoor Michiels reeds een onderhoud met Mgr. Zwijsen en deze was van oordeel, dat men de kerk niet meer moest herstellen , daar ze na verloop van tijd toch te klein zou zijn en de kosten zouden de bestaansfondsen van de kerk totaal vernietigen. De bisschop stelde voor alleen datgene te verwijderen wat gevaarlijk was en te proberen bij de Burgerlijke overheid gelden los te krijgen, aangevuld met bijzondere bijdragen van de gelovigen en hij machtigde het kerkbestuur gelden hiervoor op te nemen. Op14 februari werd dit aan de parochianen op de preekstoel medegedeeld.
Langzamerhand ging men er in het kerkbestuur over praten , uit te zien naar een nieuwe bouwplaats voor de kerk, omdat de nu bestaande plaats te klein was voor het bouwen van een grotere kerk. Als plaats werd genoemd het land van C. Moors ( vroegere Schoenmagazijn J. Maas) Dit kreeg de toestemming van de vergadering. Enkele leden van het Kerkbestuur maakten echter misbruik van hun kennis en deden alsof de beslissing reeds definitief gevallen was, hoewel nog geen overeenkomst met de heer Moors getroffen was. Er kwam enige beroering in de omgeving van de oude kerk. Op 17 oktober deelde het lid de heer J. Schraven de pastoor mede, dat hij in de parochie was rondgegaan en dat de hele parochie tegen de verplaatsing van de kerk was, met uitzondering van slechts zeer weinigen
Nog dezelfde avond werd een vergadering van het Kerkbestuur belegd en de pastoor deelde de vergadering de bevindingen van de heer Schraven mede. De pastoor stelde voor het geval met de bisschop te bespreken en dit geschiedde op 20 oktober. Mgr. Zwijsen gaf de raad af te wachten tot dat de benodigde subsidie door het gemeentebestuur zou zijn toegezegd , en de Collectes onder de parochianen door te laten gaan. Het bestuur moest zich verder op de hoogte stellen van de gevoelens van de parochianen.
De 21ste oktober was hiervoor de aangewezen dag, want op deze dag werd de traditionele boter-en rogge-omgang gehouden. Nu bleek, dat alles wat de heer Schraven te berde gebracht had, alles behalve op waarheid berustte. Niemand was tegen de verplaatsing, behalve de familie Schraven. Enkele hadden zelfs reeds een nieuwe plaats uitgekozen tegenover het Liefdegesticht (Het vroegere zusters klooster nu kermisterrein). Sommige mensen begonnen hun contributie te staken dat het praatje door het dorp ging, dat de nieuwe kerk op een andere plaats zou komen, of er zelfs helemaal niet zou komen. De meesten zeiden echter wel bij te willen betalen zo gauw de nieuwe kerk er zou komen. Op 13 februari vergaderde het kerkbestuur opnieuw. Om een eind te maken aan de onzekerheid onder de parochianen en om de collecte doorgang te doen vinden, werd nu besloten een definitieve plaats te kiezen voor de nieuwe kerk. De leden van het Kerkbestuur bewaarden het zwijgen, wellicht uit bescheidenheid of omdat zij hun mening niet wilden uiten. De pastoor nam toen het woord en stelde voor als meest geschikte plaats, het terrein tegenover het Zusters klooster. Alleen de heer Schraven bleek bij stemming tegen te zijn en wel om gewetensbezwaren. Hij deelde ook mee, de bisschop over deze zaak te willen spreken. De pastoor keurde dit plan te volle goed en toonde zich er zelfs mee ingenomen.
Op 13 februari vertrok de heer Schraven per kar naar den Bosch, want de reis had mede ten doel zerkstenen drempels voor zijn nieuw te bouwen huis te gaan kopen, anders ware zijn reis waarschijnlijk niet ondernomen.
Bij het onderhoud met Mgr. Zwijsen vroeg deze hem hoe de andere leden van het bestuur hadden gestemd. Toen de bezwaarde dit verteld had, zei de bisschop hem, zich bij de meerderheid neer te leggen of zijn ontslag als kerkmeester te nemen. Hierop antwoordde de heer Schraven, dat dit niet zijn bedoeling was en dat hij zich gaarne wilde onderwerpen.
Op 19 februari werd besloten het terrein tegenover het Liefde huis te bestemmen voor de nieuw te bouwen kerk.
Op 25 april wordt de firma van Dijk-Werken Benssen als uitvoerder aangewezen door de bisschop. In augustus worden 190.000 stenen gekocht te Nijmegen. Klinkers ad fl. 13,-- , best rood ad fl. 9,25, boerengraan ad fl. 10,25. Voor het benodigde steigerhout wordt een heel bos aangekocht bij Jonkheer van Sasse van Ysselt te Boxmeer, groot 748 bomen ad fl. 0,75 en nog 80 bomen om uit te kiezen ad fl. 2,50. Om de kosten van het vervoer te dekken werd een collecte gehouden onder de parochianen . Deze bracht fl. 1745,20 op. Her materiaal werd door de spoorwegen aangevoerd. Het steigerhout en het touw werden later verkocht aan het Kerkbestuur van Hedel voor fl. 1166,20. Men besluit geen muurtje om de kerk te bouwen wegens uitgeputte middelen van de kerkenkas.
Op 6 januari 1878 werd het afbreken van de oude kerk aangenomen door de firma van der Spank te Zeeland, voor de som van fl. 350,--, terwijl de afbraak door de notaris publiek zou worden verkocht. De fundamenten zaten echter wel meer dan 1,50 meter diep. De aannemer kon zijn verplichtingen voor de overeengekomen som niet nakomen en daarom werd nader overeengekomen , dat hij fl. 315,00 zou ontvangen en de fundamenten mocht laten zitten.
Op 2 februari besluit men alsnog het puin te laten weggraven, om het bestaande kerkhof te kunnen vergroten. Bij inschrijving zou dit fl. 200,-- gaan kosten en dit vond men teveel. In maart werden de fundamenten en het puin onder de kerk toch verwijderd door J. Daamen, metselaar. Voor de fundamenten kreeg hij fl. 40,00 en voor het puin onder de kerk fl. 94,-- In mei werd dit bedrag verhoogd, omdat men toch wel inzag , dat dit bedrag te laag was.
Op zondag 19 juni 1881 kwam de bisschop Mgr. Godschalk naar Mill om de nieuwe kerk te consacreren. Reeds vroeg in de morgen wapperden van alle huizen, de kerk en van de opgerichte erebogen, de vlaggen. De gehele straat, van het punt van ontvangst tot de kerk , was met groen beplant, terwijl op 8 plaatsen grote erebogen waren opgericht.
's Namiddag werd Monseigneur aan de grens met Escharen afgehaald door de Gardes d'honneur, terwijl verschillende verenigingen de komst van de bisschop aan de rand van de kom der gemeente afwachten, waar de bisschop door de burgemeester werd toegesproken. In een plechtige optocht, die uit ruiterij, St. Catharinagilde, het gezelschap Diana en een dertigtal bruidjes bestond, trok men onder begeleiding van de Harmonie van Gennep de versierde straten door tot aan de kerk, waar Mgr. een hartelijk welkom werd toegesproken door een der bruidjes. De stoet vertrok verder naar de pastorie waar Mgr. de menigte dankte voor de hartelijke ontvangst, afscheid nam van de menigte, het volk zegende, waarna duizenden wel voldaan huiswaarts keerden.
Op maandag 20 juni werd de luisterrijk versierde kerk door de bisschop geconsacreerd. Vooral het hoogkoor trok ieders aandacht. Na de middag bracht de Gennepse harmonie de bisschop nog een serenade en gaf daarbij blijk van werkelijke ijver en degelijke kennis. Nadat Mgr. nog een wandeling had gemaakt door het feestelijk versierde deel van het dorp, daarbij begeleid door de genoemde harmonie. en een bezoek had afgelegd bij de zusters, de burgermeester en de notaris, keerde hij terug naar de pastorie. Daar werd nog een toespraak gehouden door een der bruidjes. Er werd afscheid genomen en onder begeleiding van de garde d'honneur verliet de bisschop de gemeente.

kerk1920.jpg
Kerk Mill 1920

Door de snelle groei van de parochie werd de kerk te klein en in 1939 werd ze door Pastoor Rath uitgebreid met twee vleugels. De bouw geschiedde onder architectuur van J. Strik.
Tijdens de gevechten om Mill in 1940 had de toren een aanval der artillerie te verduren, welke echter geen grote schade aanrichtte. Een van de aanvallen der Nederlandse militairen vanaf de Brugse berg op de torentjes, die de grote spits flankeren werd er een afgeschoten. Dit werd pas enkele jaren geleden bij een restauratie van de toren hersteld. In de meidagen van 1940 werden in de kerk 700 Nederlandse krijsgevangenen ondergebracht door de Duitsers, en van hieruit op transport gesteld naar Duitsland. Tijdens de oorlogsjaren heeft de pastoor lange tijd gewoond in het huis van Mej. Van Hoorn, nu notaris Stalpers, daar de pastorie gevorderd was door de Duitsers.