Ergens, waar in Nederland ; door A.H. de Bekker


ERGENS, WAAR IN NEDERLAND
Mill in de worsteling van volken door de eeuwen heen

Onderstaande publicatie is geschreven door A.H. de Bekker, oud gemeente secretaris van de gemeente Mill c.a. in de jaren 1934-1946.

foto_secretaris_de_Bekker,_politefunctionaris_van_Dijk,_onbekende_militair..jpg

foto tijdens de mobilisatie 1939 te Mill
op foto vlnr Onbekende militair, secretaris A.H. de Bekker, politieagent Van Dijk.



Ergens in het Keltische land der Eduërs en Sekwanen zat Julius Caesar de aanteekeningen te verzamelen, die dienden om later verwerkt te worden in zijn door eeuwen zoo beroemd geworden werk -De Bellum Gallicum-.
Tragedie der tijden. De stamverwante Galliërs, bekend onder de namen van Eduërs en Sekwanen, bevochten elkaar in het tegenwoordige Franche-Comté. Als de krijgskans voor de laatsten ten ongunste dreigt uit te vallen, wordt de hulp van Germaasche buren ingeroepen. Onder aanvoering van het opperhoofd Arovistus verslaat de stam de Markomannen de Eduërs . Zij dreigen weldra, tot grooten schrik der bondgenooten, een grooter deel van Gallië zich toe te eigenen, als hun als loon voor hulpverleening en krijgsvoering werd toegezegd. Vandaar dat de onfortuinlijke Sekwanen de hulp der Romeinen inriepen, die het na zware strijd tot overwinning brengen. Buiten verwachting brengen de Romeinen geheel Gallië (Frankrijk) tot onderwerping, waaraan tenslotte ook de bewoners van het tegenwoordige België, de meest krijgshaftigen aller Galliërs, na een geweldige worsteling ten offer vielen.
In het Brabatsche Mill trof men urnen aan, die heenwijzen naar de woonplaatsen van voorvaderen, die de maagdelijke landen aan de woelige zee betraden en er leven lieten, zoals na hen tallooze malen krijgers het leven laten zouden. Romeinen uit de oudste geschiedenis, Spanjaarden en Franschen , doch hier kan men ook gedenken de zonen van ons eigen dierbaar vaderland, die anno 1940, toen de beschaving haar hoogtepunt heette bereikt te hebben, in strijd met het Groot-Duitsche nabuurland aan de verdediging van neutraliteit en vrijheid en al wat meer nog waarde bezat, heldhaftig ter offer vielen.

Ergens aan den anderen van den Rijn, beijverden zich intusschen vooruitstrevenden in hun dorpen als Herman de Cheruster en Claudius Civilus om te komen tot samenkoppelingen en samenwerking van kracht door bundeling van vele Germaansche stammen als die der Cherusten, Bataven, Kaninefaten, Usipeten, Tenkteren, Brukteren, Katten en dergelijke; de Germaansche volksgeest werd voor het eerst duchtig opgewekt.
Tragedie der tijden . Opgave was voor de Germanen , te komen tot afwenteling of wegwenteling der Romeinsche wereldheerschappij. Daarom werd aan onderlinge stamveeten tijdelijk het zwijgen opgelegd, doch deze eenheid werd maar al te spoedig verbroken. Enige stammen liepen over naar de Romeinen, anderzijds schaadde een ongezonde na-ijver tusschen aanvoerders het verwachte resultaat; definitief succes bleef uit. Evenals de Romeinen in Gallië partij trokken van onderlinge twisten tusschen de stammen, maakte de onderlinge verdeeldheid der Germanen het den Romeinen onnoodig gemakkelijk, hun bloedige overwinningen te behalen.

Ergens in de lage landen bevindt zich de Peel: het diepe en wijde land. Op een oude kaart van Oost Brabant, die -accuratissima divisum est por Nicolaum Visscher-, staat deze Peel aangeduid, als -een weeke en moerassige streke lands, daar nauwelijks een mensch over gaan kan-.
Tragedie der tijden. De Romeinen bezorgden de Peel haren naam, evenals den naam voor het gebied in het zuiden van Brabant; de Kempen.
In -onze aarde- van November 1939 componeert U. Nootenboom het volgende daaromtrent:-Want als de Romeinsche legioenen afmarcheerden, naar het noorden, en zij in het Brabantsche kwamen, waar groene en bebouwde grond langs heldere beken lag, waar de wind zong in de hooge, slanke boomen, die zich verhieven boven elke nederzetting, dan noemden zij deze streek -Campania- , het Veld, de Kempen. Maar ook naar het noorden ging de tocht der Romeinen. Zij trokken de vlakte door tusschen de beken der Meierij en de Maas, de eenzame, eindelooze vlakte, waar de grond week was onder hun voeten, waar het water verraderlijk en onzichtbaar stond onder een ruigen groei. Zij doorreisden den moeizamen tocht door dit zompige, bruine land, vol moeren en plassen, vol moerassen en gevaarlijke plekken. Zij noemde het-Palus- , dat in de volkstaal -Padul- en later Peel werd.

Ergens in onze jaartelling weigeren Germanen, om in dienst der Romeinen, stamverwante broeders te bestrijden. Er ontstaan bonden van Franken, Allemannan, Saksers en Friezen, die de stamnamen zelfs allengs doen vergeten.
Tragedie der tijden. Via het gezin, de familie en de stam is eindelijk -het volk- geboren. Koetsveld deelt in een voetnoot op bladzijde 20van zijn werk-onze politieke partijen-mede, dat reeds tijdens de regeering van keizer Valerianus men van een volk leest, samengesmolten uit Sicambren, Usipeten, Brukteren, Attuariës en nog enkele stammen. Na 260 worden de Gothen en Allemannan, na 276 de Bourgondiërs en Vandalen als Germaansche volken genoemd. Den naam Batavieren horen zij voor het laatst onder de regeering van Honorius; later schrijven zij, evenals de Toxandriërs, en zoovele stammen, met het volk der Franken te zijn samengesmolten. Na de val van het Romeinsche rijk woonde de Germaansche volken ongeveer als volgt: van de schelde tot in het noordelijk gedeelte van Frankrijk de Salische Franken, aan den beneden rijn tot aan de mond van de Lahn de Ripuarische Franken, ten zuiden van dezen, tot in de Vogezen en het zwarte Woud de Allemannen, van den IJssel tot de Harz de Saksers en langs de Noordzee, van Denemarken tot Zuid-Holland en Utrecht de Friezen.

Ergens in Europa vóór de overheersing der Romeinen van 43 jaren voor Christus tot 440 jaren daarna, leefde in het tegenwoordige Engeland een volk, de Britten genaamd, naar wie het eiland, dat zij bewoonde, den naam Brittannië ontving.
Tragedie der tijden. De Picten en Schotten, bij de nadering der Romeinen noordwaarts geweken, hielden zich in de nieuw betrokken gewesten staande, en bestookten zelfs dikwijls op gevoelige wijze de legioenen hunner vijanden, een daadzaak, waarvan de Picten muur, hoewel thans vervallen, een nog sprekend getuigenis aflegt. Toen de Romeinen ter bescherming hunner eigen haardsteden, de afgelegen wingewesten verlieten, zochten de verdreven stammen hunne oude woonplaatsen weder op en overvielen de aldaar gevestigde Britten. Deze riepen de Anglen en Saksers te hulp, die in het tegenwoordige Sleeswijk-Holstein woonden en aan de gedane uitnoodiging gehoor gaven, maar nu met de Caledoniërs (Picten en Schotten) tevens de Britten zelve verdreven, die daarop gedeeltelijk in de gebergten van Wales, gedeeltelijk in de noordwestelijke gedeelte van Gallië , naar Bretagne geheeten, eene wijkplaats zochten, blootgesteld aan de woeste invallen van Denen en Noren.

Ergens in het wereldgewoel beuken de Germanen de macht der Romeinen. Zij deden invallen in de Romeinse wingewesten. In de derde eeuw overschreden ze herhaaldelijk den Rijn; zoo drongen tusschen de jaren 270 en 276 de Gothen, Franken en Allemannen tot diep in Gallië
, ja zelfs tot in de Povlakte door.
Tragedie der tijden. Het romeinse volk, inwendig door verderf verzwakt moest langzaam maar zeker wijken. Het zou bezwijken tegen den aandrang der volken van Midden- en Oost-Europa, alhoewel enkele krachtige keizers uit het roemruchte Rome nog wel ooit tot kolossale prestaties kwamen. Her laatst Julianus de Afvallige, die in de jaren 359 en 360 driemaal den Rijn overschreed en de Allemannen en de Salische Franken versloeg en tot hernieuwde onderwerping drong. Toen die uiterst merkwaardige beweging, die men -volksverhuizing- noemt.
Omstreeks het jaar 375 na Christus verliet de woeste stam de Hunnen zijne woonplaatsen in Noord-Azië , trok tusschen de Kaspische zee en het Uralgebergte door naar de Zuid-Russische vlakte en drong alle stammen, die hij op zijn tocht ontmoette, voor zich heen. De eerste schok trof trof de Oost-Gothen, die de streken aan den linker oever van den Dnieper bewoonden. Deze deden op hun beurt de West-Gothen wijken, die den anderen rivierkant bevolkten en thans zuidwaarts oprukten. Zij vestigden zich eerst in Griekenland, maar staken weldra onder Alarik naar Italië over , waar zij Rome plunderden (410 na Christus). Zij verbleven hier echter niet, maar togen noordwaarts en stieten in Gallië op de Vandalen, een ruwen volksstam, die uit het noorden van Germanië eveneens naar deze streken gedreven, door hen over Spanje naar de noordkust van Africa gedrongen werd, waar nu een Vandaalsch rijk ontstond, dat weldra tot groote uitbreiding kwam. De West-Gothische koningen vestigden hun zetel te Toulouse en strekten hun gebied over Spanje en een gedeelte van Gallië uit, welke landen alzoo aan de West-Romeinsche rijk onttrokken werden (415 na Christus). Ongeveer in dienzelfden tijd bezette een ander Germaansche stam, de Franken, het land bezuiden de Friezen en verspreidde zich over België en het noorden van Gallië , terwijl de Anglen en Saksers, die hunne woonplaatsen om en ten noorden der Elbe hadden, naar Brittannië overstaken en aldaar het Angelsaksich rijk grondvestten.
Intusschen zetten de Hunnen, vooral onder hun opperhoofd Attila, hun vreeselijke tochten voort; zij noodzaakten de keizers van het Byzantijnsche rijk tot het betalen eener zware belasting en vielen toen in Germanië en Gallië (444 na Christus). Het dreigend gevaar verenigde op zijn beurt West-Gothen en Romeinen en nu werd (451 na Christus) in de vlakte van Chalons (de Catalanische velden) het Hunnenvolk goeddeels vernietigd. Het West-Romeinsche rijk was van nu af tot Italië beperkt. In 455 rukte de Vandalenvorst Genserik er binnen, trok moordend rond en deed den laatsten schijn van Romeinsche macht verbleeken. Eindelijk (476 na Christus) verdrong Odoacer, de aanvoerder der Germaansche hulptroepen in Romeinsche dienst, den laasten keizer,, Romulus Augustulus en verhief zichzelf tot koning van een rijk, dat zich van de Zuidpunt van Italië tot in het tegenwoordige Beieren uitstrekte.

Ergens in den sluimer der tijden ligt de diepere beweegreden en verklaring omtrent het optreden van den vader van een gezin, de patriarch in de familie, het stamhoofd in den stam, de hertog in den stambond, het optreden van volken, die rusteloos heen en weer trokken, het afwisselend jagen en verjaagd worden, het zoeken naar nieuwe jachtgebieden en vischplaatsen, het nederzetten en de landbouwbeoefening, het optreden van monarchen in staten, vorsten in rijken, koningen en keizers.
Tragedie der tijden. Verovering van levensruimte, daarna wisten de volken zich eindelijk elk in een bepaalde landstreek meer duurzaam te vestigen. Een band werd gelegd en steeds hechter geknoopt tusschen een volk en den grond, dien het bewoonde. En het was deze band, die in de plaats trad van den allengs verzwakten band des bloeds, welke in den chaos der volksverhuizing, waarbij de volken als het ware dooreengeschud, geheel en al verbroken. Niet langer de gemeenschappelijke afstamming dus, maar het wonen op eenzelfde grondgebied stempelde voortaan tot een natuurlijke eenheid. In plaats van het beginsel van afstamming trad dat der plaatselijke nabijheid. In plaats van het patriarchale, het nationale.

Ergens worden uit duistere tijden in de Peel overblijfselen gevonden van Romeinse oorsprong.
Tragedie der tijden. Er was een soldaat of onderofficier, die gedurende den tocht door het moer niet verder kon. Hij is gaan zitten op een boomstam, die omgewaaid was en uitstak boven de overwoekering van den veengrond. Het leger met zijn geblink van koper, met het geluid van duizend soldatenvoeten en paardenhoeven trok weg in den diepen en donkeren einder. De achterblijvende heeft geslapen en gerust tot de nacht viel en de maan laag hing boven de zwarte streep van de verte. Hij heeft zijn tocht voortgezet op den gis en is op zijn nachtelijke reis plotseling verzonken in een verraderlijke diepte, toen de Avondster heel ver en blinkend stond te straten. Zijn schreeuw is gesmoord in den wijden kom der eenzaamheid.......Klotstekers hebben bijna 2000 jaren later zijn wit gebeente gevonden. Zijn wapens kwamen te voorschijn bij het steken van de turf. Zoo is misschien in den loop der eeuwen menig marschkramer en menig eenzaam mensch de Peel ingegaan en niet meer weergekeerd. In het tegenwoordige Sint Hubert, dat met Mill één gemeente vormt, vond men ooit een Romeinsche wapenrusting met een munt van Valentinianus en later nog een bronzen casserole, thans te bezichtigen in het Provinciaal Genootschap te 's-Hertogenbosch.

Ergens uit den waas van Peelgeheimzinnigheid komen brokstukken geschiedenis te voorschijn.
Tragedie der tijden. De Peel van gisteren, van nu en straks. Lorié heeft aangetoond, dat dit gebied met het gebied der Brabantsche beken en stromen eens het stroomgebied is geweest van de Maas. Door bodembewegingen en vermindering van den water waterafvoer heeft de Maas op den duur hare bedding verlegd en ten slotte verlaten. Nu ligt zij met een grooten boog om het peelgebied heen.. In de diepe, verlaten kom bleef jarenlang het water staan in de dichtgroeiende beddingen, waar geen stroom meer stond. Een boschgebied ontstond in de Peel, waarvan men nu nog de zware stronken en vergane stammen vindt in den drassigen veenbodem, die door belangrijke waterstaatwerken in den laatsten tijd veel verbetering mocht ondervinden. Een oud aardrijkskundig boek, meer dan 100 jaar geleden uitgegeven, veronderstelt dat deze bosschen verdwenen zijn, ten gevolgen van een overstroming, vergezeld van eene geweldigen storm, die alles omverwierp, welk vermoeden te meer grond vindt in de omstandigheid, dat alle bomen die men er uit graaft, met den top oostwaarts liggen.

Ergens breekt den band, die geslagen ligt on het weinig bezochte peelgebied, breekt het isolement en daarmee de macht van het duistere.
Tragedie der tijden. Het behoeft niet te bevreemden, dat met vele andere gewesten de Nederlanden, hunne eerste bewoners uit Germanië bekwamen, die ook hier in verschillende stammen leefden en slechts in tijden van algemeen gevaar zich onder een opperhoofd vereenigden. Met uitzondering der Friezen werden al die onderscheidene stammen door Caesar en andere Romeinsche landvoogden onderworpen en behoorden zij alzoo mede tot de onderdanen van ket machtige Rome. Pogingen tot afwerping van het Romeinsche juk (70 jaar na Christus) onder aanvoering van Claudius Civilus, hoewel aanvankelijk met goeden uitslag bekroond, leidden niet tot de gewenschte uitkomst, en de onderworpen bevolking verwisselde eerst van gebieders, toen omstreeks de 4e eeuw de Franken, een machtige Germaansche volksstam, deze gewesten aan de Romeinen ontweldigden. Bij het verdrag van Verdun kwam Nederland aan Lotharingen, maar verviel na de dood van Karel Den Dikken gedeeltelijk aan Duitschland, gedeeltelijk aan Frankrijk.
Rondom de bruine Peelonvruchtbaarheid groeiden in den loop der jaren de dorpen en klommen de kerktorens ten hemel, om de eindelooze uren af te tellen, die over deze stille vlakte gingen. De Peel bleef als een groote, leege vlakte tusschen welvarende streken; niemandsland. Deze Peel nu was niet alleen een gebiedsgrens, maar ook een taalgrens. Ten oosten van de Peel wordt een Saksich-Frankisch dialect gesproken, ten zuiden een Ripuarisch-Franisch, ten westen een Saksich-Frankisch dialect. De dialecten van de afzonderlijke dorpen loopen soms sterk uiteen, hetgeen mede een gevolg is van de vroeger zeer geïsoleerde ligging van deze nederzettingen.

Ergens in Nederland nu ligt de Peelraamlinie en ergens in dit militaire stellinggebied ligt Mill. Aan de westzijde van de Peel gaan de namen van veel dorpen uit op -el- , zoals Bakel, Volkel, Mortel, Zakel en Liessel, terwijl ten oosten de uitgang -lo- veelvuldig voorkomt: Oploo, Merselo, Melderslo, Oorlo, Woverslo.
Dit stellinggebied van Grave tot Weert doorsnijdt een cultuurgrens: de huisvorm van het Noord-Limburgsch is de Keltisch-Frankische, terwijl ten westen van de Peel het Brabantsche Langgevelhuistype overheerscht.
Niets ontkomt aan de tragedie der tijden; zelfs niet het eertijds maagdelijke peellandschap. De dorpen groeiden als een krans rond de Peel. Maar de jaren gingen hun gang als eenzame vogels, die immer een eenderen weg namen over de wijde vlakte die er tusschen in lag. De jaargetijden vielen er over heen met sneeuw en ijs, regen en zon en eens per jaar rond 15 Augustus rond den dag der Hooge Lieve Vrouwe, zeggen we in Brabant, schoot de heide in bloei, paars over alle terreingolvingen en diepe vergezichten tot diep in den horizon en nog oneindig verder. De boeren aan den rand der Peel ontgonnen in den loop der jaren wel kleine brokken, maar het waren nietige stukken, die in cultuur kwamen tegenover de eindelooze vlakte, die de eeuwen door onberoerd bleef.
In verschillende gewesten werd omstreeks het jaar 900 het leenstelsel ingevoerd. De Peel bleef onberoerd. Nederlansche vorsten, edelen en lijfeigenen togen mede ter kruisvaart en oogsten ruimen wapenroem in den kamp met de Mohammedanen, de Peel bleef onberoerd. Willem II en Floris V (1247-1296) werden de voornaamste grondleggers van een vrijen burgerstand en bevorderden handel en nijverheid door de ondersteuning die zij de Hanza bewezen. Door erfrecht, aankoop en krijg kwamen de meeste Nederlandsche graafschappen en hertogdommen in het midden van de 15e eeuw onder het gebied der Bourgondische vorsten en eindelijk (1480) door het huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk aan dit machtige Duitsche geslacht. En onder al die bedrijven, liet de Peel langs zich heen gaan de ontwikkeling van de voortbrenging, de verdeeling en het verbruik van goederen, de ontwikkeling van eigendom en waarde; van vrijheid, recht en plicht, van Christianiseering en cultuurverheffing om eindelijk met zeer primitieve middelen ontgonnen te worden, zoodat ruigt en onkruid welig opschoten op het veld en de wei, die aan den schralen grond met veel zweet en arbeid was ontworteld. Zoo vestigden zich duurzame volkskrachten van bodem, traditie, vlijt en religie.

De invoering van het Christendom was voor Europa de hoofdgebeurtenis der middeleeuwen. Daardoor worden de ruwe zeden der heidensche volken verzacht en geheiligd en een schooner streven tot doel hunner handelingen gesteld. Het walhalla der Franken gaf niet langer toegang aan bloedige oorlogsdrama's en Odin moest zich voor immer het genot der onteerende mensche offers ontzeggen. En week de oude woeste aard niet onmiddellijk voor de wet der liefde, gaf de hartstochtelijke natuur zich nog gaarne in onmenschelijke daden lucht en is juist de geschiedenis van deze (wijl de deugd in het verborgen wordt beoefend) in talrijke bijzonderheden tot ons overgekomen, zoo is het niet minder waar, dat millioenen de christelijke volmaaktheid tot eene treffende hoogte in zich opvoerden en in de schrilste maar gelukkigste tegenspraak met de gewoonten van het oude heidendom stonden. In de twaalfde eeuw bezat Boxmeer nog altijd de moederkerk, niet alleen van Mill doch zoals zulks ook met andere peeldorpen het geval was, van Sint Anthonis of Sint Catharina in het Broek en van andere plaatsen. De groei van het dorp Mill deed de daar aanwezige kapel vergrooten tot een kerkje. Aanvankelijk in de 12e en 13e eeuw bezat dit weinig recht, het was aan de Heilige Willibrordus toegewijd, maar spoedig werd zij eene ecclesia baptismalis, een doopkerk, welk recht van kerstenen en andere sacramenten toe te dienen slechts aan parochiekerken gegeven werd. Met toestemming van den pastoor en van den Heer van Boxmeer, welke het recht bezat den pastor te benoemen verhief Adolf van den Marck, bisschop van Luik 15 mei 1326 de kapel of het kerkje tot een parochiekerk met volle rechten. De aartsdiaken Reijn, aldus de Beersonne, keurde dit besluit nog hetzelfde jaar Donderdag na Pinksteren goed. Mill stond dus daarna kerkelijk op zichzelf. Tegelijkertijd gingen de rechten van den Boxmeerschen Heer op de abdij van Mariënwaard ,gelegen in de Betuwe, over. De abdij Mariënwaard kreeg dit, omdat zij te Mill al vele goederen bezat namelijk landerijen, tienden, cijnzen, hoenders, de bouwhoeve Vorle, Nieuwenhof, Vloed, Den Hof aan het Hekken, Den Hof aan de Kerk. De twee laatsten waren van de Heeren van Cuijk afkomstig. Heer Jan van Cuijk geeft aan de dorpen Beugen, Brakel, Cuijk, Linden, Beers, Mill, Escharen en Grave op 20 april 1308 de gemeentegronden, palende aan Boxmeer en het land van Herpen (Ravesteijn). 20 Februari 1402 geeft Willem van Cuijk, hertog van Gelder en graaf van Zutfen, aan de bewoners van Cuijk, Mill, Beers en Escharen vijf hoeven peel ( een stuk gronds, zie Kiliaan) ten eigen gebruike zonder den turf te mogen verkoopen. Reinoud, hertog van Gelder en graaf van Zutfen bevestigt 27 April 1410 de voorrechten door zijn voorzaten gegeven aan de dorpen Cuijk, Mill, Beers, Escharen, Neerloon en Well, als: dat iemand zijn lijf verbeurende zijn goed niet verbeurt, doch dat hij door manslag de helft zijner goederen verbeurt, zoo hij gehuwd is.
Er bestaat voorts een belangrijke oorkonde van 7 April 1306, waarbij Gerard, Heer van Hoorn en Altena, verklaart het land van Altena en Woudrichem te leen te heffen van den graaf van Kleef, met belofte om hem, in oorlog zijnde, met 20 ruiters te zullen dienen, welke leenheffing bekrachtigd wordt door den graaf van Gelderland en van Holland en den hertog van Braband. In deze oorkonde komen als mede-zegelaars voor Heer Jan van Cuijk, Heer Otten van Cuijk, Heer Willem van Megen, Aalbrecht, Heer van Herpen, Willem, Heer van Cranendock en Heer Willem van Mille, Ridders.

Degenen, die in den naam Mill een suffix -Le- vermoeden, dat wel een vervorming van hem of heim kan wezen, vinden dus steun voor hunne opvatting in eerder gemelde oorkonde. En dan is het prefix -Mill- voor meer dan een uitlegging vatbaar. Nergens is te vinden dat dit -Mil_ ook wel eens -Mel- of -Melle- heeft geheeten. Dan toch zouden we kunnen denken aan een Keltisch melinos, dat geel of geelachtig beduidt, wat in verband zou kunnen staan met de kleur der gronden of veldgewassen. Dat het woordje -mille- in verband zou staan met een op duizend passen afstand ( in den Romeinschen tijd ) liggend plaatsje (vergelijk mille passus) is moeilijk aan te nemen, zoolang dit niet door historie is uitgemaakt. Zoodat nog eene mogelijkheid voor ons ligt, namelijk dat, als de plaats ooit den naam gedragen heeft van -Melle-, er kan gedacht worden aan een oud Duitsch woord, stam -Melle-,-Mold-, Mal-, welke terugslaat op -Mahal-, als oude vergaderplaats ( maalstede) onzer voorouders. Het is niet oninteressant om de mentaliteit van de Peelbevolking beschreven te zien in een aardrijkskundig boek uit de vorige eeuw en daarnaast een beschrijving te leggen van een nog niet lang verschenen boek, waar een auteur aan het woord is, die deze streek en het volk door en door kent. Van der Aa (1847) zegt van het Peelvolk; Sommigen denken, dat het woord Peel en Peellanders aan het Latijnsche Petulans, dat is dartel, moet worden ontleend, omdat de oudste bewoners zeer dartel en brooddronken leefden, of niet gaarne gebukt wilden gaan onder het juk hunner overheerschers, maar het bij alle gelegenheden zochten af te werpen. Nog zijn er, die hier weder een ander Latijnsch woord in aanmerking willen genomen hebben, namelijk Pedum, een herdersstaf, en dan zou Peellanders of Pedelanders, zoo schreef men en sprak men dit woord uit, een volk, hetwelk met stokken en knotsen gewapend ging, en die te zijner verdediging gebruikte, te kennen geven.
Men ziet, het oordeel uit de vorige eeuw is niet vrij van een zekere sombere, krijgshaftige romantiek, die niet zoozeer uit de bekendheid met het volk, als wel uit naamsafleiding voortkwam. In Maryien Coppens -Rond de Peel- wordt van de bewoners gezegd; Kleurloos zijn ze soms als de berm van een slootkant in den winter, misvormd soms en gebarsten als een oude doorwinterde knotwilg, doorgezakt als de daken van hun keuterboerderijkes, een beetje scheef tegenover het leven, zoals de huizen met hun achterste naar den weg gekeerd in hun schoone averechtsheid. De Peelmensch is van een spontane hartelijkheid en een natuurlijke tegoedertrouwheid, die op eigen bodem den vreemdeling welwillend en gastvrij tegemoet treedt, als was hij een broer, iets wat iedere vreemdeling met een blije verbazing aanvaardt, als die tenminste nog openstaat voor een spontane, zij het soms wat rauwe en onbeholpen gastvrijheid en hospitaliteit. In eigen omgeving is hij doorgaans ook een vlotte snaak met een opgeruimden, ja humoristischen kijk op het leven, een kijk, dien hij met een benijdenswaardige verbeeldingskracht tot uitdrukking weet te brengen. Als men de origineele plastiek in Brabantsche spreekwijzen weet te beluisteren, krijgt men herhaaldelijk een schok van verrassing.
Om terug te komen op mijn aanvankelijk chapiter. Aangenomen kan worden, dat Mill eertijds Mijlle heette en later Mille. Doch niet voetstoots, dat deze naam en de oorsprong ervan zou liggen in het Engelsche woordje -Mill- , dat molen beteekent; er stond namelijk een molen. Eerder kan het zijn ontstaan te danken hebben uit -Mill- als grens, omdat het dorp immers ligt aan de noordelijke afsluiting van de Peel. Het behoeft dan niet bestreden te worden, dat bovenbedoelde molen, die het vereenigingspunt was van hoevenaars, die er verspreid omheen woonden en spoedig de windkracht verkozen boven hun eigen langzame handmolens. Weldra verrezen in deze reconstructie daaromheen stroobedekte huizen en schuren, er vestigden zich ambachtslieden en neringdoende, het werd een gehucht, dat steeds groeide en door toevoeging van verschillende andere gehuchten zoals: Brug, Roijendijk, Gagel, Meeren, Molenheide, Vilheide, langzaam maar zeker een dorp werd. Het was gelegen in het voormalig nederambt van het Land van Cuijk en vormde voorheen een schepenbank met Sint Hubert Hulsbeek en Wanroij.

Hoe leefde tot voor kort de meeste menschen in Mill? In het voorjaar trokken de boeren uit den omtrek de Peel in, om turf te steken, opdat zij brand zouden hebben in den winter. Zij trokken op goed geluk ergens heen en begonnen een gat te steken in den natten veengrond. De turf werd te drogen gezet, met paard en wagen gehaald en in het najaar, voor de regens invielen, opgeborgen in het wagenschop. Door het uitveenen op eigen gelegenheid zijn de zogenaamde boerenkuilen ontstaan, diepe gaten in den grond, overal verspreid, die vol liepen met water en die de latere ontginningen zeer zouden bemoeilijken.
Daar waren de scheper, die zijn kudde de eindeloze vlakte indreef, een zwart silhouet tegen den hoogen hemel. Hij stookte vaak de oude heide af, opdat er een volgend jaar nieuwe hei zou groeien, die malsch was en jong en waar de schapen op verlekkerd waren. En in heete droge zomers was daar vaak een veenbrand het gevolg van; de droge turflagen onder den grond ontbrandden, gloeiden en smeulden terwijl het vuur immer over groote afstanden wegkroop, onzichtbaar en ongemerkt, tot de gloei en de rook oplaaiend boven de aardkorst uitbraken. Daar waren in de dagen, dat de heide bloeide, de imkers, die met hun bijenkorven op een wagen geladen, de rulle zandwegen in dokkerden tot de eenzaamste hoeken, waar de heide het vruchtbaarst bloeide, daar met groote omzichtigheid de korven van den wagen, ze op een hoogen plaats in de rij zetten, alle korven met een steen bezwaarden, het vlieggat opende en welgemoet naar huis keerden. Men zag hen dan, als een paar dagen verloopen waren, weer de Peel inkuieren met hunnen stok en haastigen pas, om een bezoek te gaan brengen aan de korven. Ze zagen ze al van ver, ze liepen er omzichtig heen of er geen sporen te vinden waren van onbevoegden, kwikten de korven in hun armen, om te zien of de bijen in den tusschentijd veel gehaald hadden, en liepen dan mompelend den zandpad weer af, die eindeloos voortkronkelde naar het dorp, waarvan de toren uitstak boven het groene eiland der bomen.
En tenslotte woonden in dit niemandsland de -Klotstekers-, de turfgravers, die in plaggen hutten huisden en die in het voorjaar en het begin van den zomer hun schaarsche brood verdiende, gravende aan de oneindige bruine laag, die als een breede , dikke korst lag over de Peel.
Het Peelvolk heeft er gewoond, de eeuwen door in grootste stilte en eenzaamheid; gebogen onder den eenderen gang der jaargetijden, die traag kwamen aanzwerven uit de diepe verten, de lente uit het zuiden, de zomer uit het oosten, de herfst uit het westen en de winter met zijn witte snijdende vlagen uit het vriezende noorden.
Zij woonden in de eenzelvigheid der dagen in dit haast geruchtelooze land, dagen, die met de wolken kwamen over den einder, in de stilte naar hun hoogtepunt klommen, om dan weer met afgemeten zekerheid naar den einder te kantelen. Er woonde wel kwaad volk vroeger in de Peel, want het land was wijd en de wegen liepen her en der. Er leefden wel smokkelaars en lieden, die wat op hun kerfstok hadden, maar deze verhalen uit oude dagen zullen wel overdreven zijn zooals vele vertelsels uit den ouden tijd. Over dit leege land hebben de jaren door vele geschillen geloopen tusschen de omliggende gemeente en de bewoners van de randdorpen. Zoo zelfs, dat in 1716 tusschen de commissarissen des konings van Pruisen aan wien het oostelijk deel van de Peel behoorde als een deel van Oppergelder en die der Algemene Staten een verdrag werd gesloten, bij hetwelk de grenzen van de Peel bepaald werden. Men besloot op gemeene kosten eene grenspaal op te richten tusschen Springelbeek en Groote Loef, die Vredepaal geheeten en waardoor Braband voortaan van Gelderland afgescheiden zou worden. Hiermede eindigde een jarenlange twist , waarbij de rechten van de omwonenden werden bepaald op het stuk van turfsteken en heiplaggen halen, die de boeren als strooisel gebruikten in hun diepe potstallen en bijenkorven stellen.
Ook in het oude Maasdal worden grindlagen aangetroffen, die de te Mill in exploitatie gebracht worden, evenals er ijzererts net zogenaamde -rood- gevonden wordt, dat voor gaszuivering en verfdoeleinde naar elders werd vervoerd, terwijl de fabricatie van steenen door een der vele Van Lieshouts herinnert aan de aanwezigheid van grijze leemlagen. In de laatste jaren is er in de bladen gewag gemaakt als men wat Peelgrond ging ontginnen, over een ontsluiten van de Peel. De Peel is evenwel reeds lang ontsloten. Van Mill en Helenaveen is op dit terrein de victorie uitgegaan. Daar is men op, voor dien tijd, groote schaal, begonnen met de ontginning van het Peelgebied, voordat er, waar ook in de Peel sprake was van ontginning. Reeds voor ruim 70 jaren her trad te Mill Nering Bögel op en worstelde met den woesten onwillegen grond. In het zuiden was het Van de Griendt, die, zij het met hoofddoel tot winnen van turf, de ontginning te hand nam. Later toen het kunstmest kwam, heeft men het groote werk, ter hand genomen in Mill en Helenaveen, voortgezet in de gemeente Gemert, Horst en voornamelijk in Venraij.

In dit land van Peel en Schuttersgilden, van Princepeelontginning en kastelen als Aldendriel en Tongelaar, deed de Noord-Brabantsche-Duitsche Spoorweg in de verbinding, Boxtel-Gennep haar intrede. Teerwegen zorgden voortaan voor communicatieverbetering, moderne verkeersmiddelen voor sneller vervoer, inundatie problemen werden door uitvoering van belangrijke en groote werken tot oplossing gebracht. De fiets, de motor, de electriciteit deed eindelijk haar intrede.
En tusschen bierbrouwerij en Klompenfabriek, tusschen zuivelfabriek en NCB-pakhuis, tusschen dennenbosschen en boerderijen bevinden zich de dorpskernen van Mill en Sint Hubert met hun kerktorens, met hun scholen, met hun dorpsche wederwaardigheden, terwijl in den jare 1939 onder kapitein Schutgens van III-13 R.I. meest Limburgers, onze landverdedigers, als gasten in ons midden vertoefden en werkzaamheden verrichten, ten einde uitvoering te geven aan de leuze-Nederland paraat-, door een aanvang te maken met de inrichting van de tijdens de jongste gebeurtenissen zoo bekend geworden Peel-Raamlinie. Dit Bataljon werd weldra vervangen door 3 R.I., waarvan de commandant, overste van Aalst zijn woontent in het naburige Uden had opgeslagen en waarvan aanvankelijk zijn 3 bataljonscommandanten verblijf hielden in de Meeren, te weten majoor Juten, in de kom van Mill, de majoor Netze en in de kom van Sint Hubert de majoor Somers.

Tragedie der tijden. Na vulcanische eruptie, steenen tijdperk en ijstijdperk, Romeinse hegemonie, Frankische overheersing, De Middeleeuwen in de greep van het christendom, Angelsaksische wereldheerschappij, die door expansiedrang van het oer-Germanendom gevaar loopt in stand te kunnen blijven.

Deze inleiding kan gevoeglijk worden beëindigd met het zoo gevoelige rondschrijven, wat Ir. A.J.L. Juten, commandant van het voormalige III-3R.I. Noordsingel te Bergen op Zoom in Juli 1940, na de catastrophale jongste gebeurtenissen richtte aan officieren, kader en manschappen van III-3R.I. onder opmerking, dat Brabant reeds menigmaal het toneel van bloedigen strijd was, dat vuur en vlam reeds menigmaal zijn schoone landouwen teisterden, dat vriend en vijand menigmaal schade toebrachten aan huis en haard en heel veel leed, oorzaak werd van het gebruik der wel zeer toepasselijke zinspreuk:Men ziet maar toe, men zwijgt maar stil, we doen het al om beters wil !