Kapel Onze Lieve Vrouw ten Hove


De kapel O.L. Vrouw ten Hove Mill

De onderstaande compilatie van de kapel O.L. Vrouw ten Hove is verzameld en opgetekend door de Heemkundekring Mill.


maria_kapel_na_renovatie.jpg

Eeuwenlang is dit een ruïne van de O.L. Vrouwenkapel geweest. Het waren overblijfselen van een 15e -eeuwse gotische kapel, oorspronkelijk gevormd door een schip van twee traveeën tot boven een driezijdige koorsluiting. West en noordwand en twee zijden van de sluiting tot boven de vensterhoogte waren nog aanwezig. Inmiddels is de kapel als zodanig in zijn oorspronkelijke staat gerestaureerd. De restauratie vond plaats onder leiding van architect Jan de Jong uit Schaijk. Ook het voorportaal is in zijn oude staat hersteld. De kapel wordt thans gebruikt voor het sluiten van de burgerlijke huwelijken.

ruine_maria_kapel.jpg
Ruïne van de kapel van O.L. Vrouw ten Hove.

De geschiedenis van onze lieve Vrouw ten Hove ligt vrijwel geheel in het duister. Zoals reeds is vermeld zou deze kapel een deel kunnen zijn van het goed Pisla, dat de Norbertijnen van Marienweerd reeds voor 1160 in Mill bezaten, met enkele hofsteden erbij gelegen, zoals de Weem en het Hof, die beide pastorie geweest zijn.
Het Land van Cuyk stond gedurende de vroege Middeleeuwen onder het bestuur van de Heren van Cuyk. Dit Huis van Cuyk stierf uit in 1395 in de mannelijke linie en de opvolgster werd Gravin Johanna van Cuyk. Op 15 december 1400 deed deze Vrouwe Johanna afstand van haar bezittingen in het Nederambt van het Land van Cuyk aan Hertog Willem van Gelder. Volgens de geschiedschrijver van het Bisdom ;'s-Hertogenbosch, pastoor Schutjes, zou deze Vrouwe Johanna zich gevestigd hebben op het Hof en zou de kapel dienst gedaan hebben als huiskapel. De kapel komt in geen enkel pouillé voor. Er is alleen een schrijven bekend van het jaar 1457 of 1458 van de abt Johan van Braedbeek aan de bisschop van Luik, waarin hij een priester Matthias voorstelt als rector van een blijvend officie in de kapel van de Heilige Maagd Maria, gelegen in de parochie Mill. Aan dit benefice was ook verbonden drie missen op te dragen in de kerk van Mill. Waarschijnlijk ter verlichting van de pastoor Theodorus Spuelre, die oud en ziekelijk was. Theodorus Speulre schenkt de opbrengst van enkele velden in de parochie, inhoudende 15 malder graan, tot onderhoud van de dienstdoende priester van de kapel.
De laatste beneficiant van de kapel was Wouter van Baer, die later pastoor werd van de schuurkerk te Escharen. De rekening der geestelijke goederen schat de inkomsten der kapel in 1657 op 2 malder en 2 vat rogge, verder 3½ morgen weiland en 1 morgen hooiland genaamd de O.L. Vrouwe-morgen. Dit alles beliep toen 38 gulden en 2 stuivers.
Op 7 november 1903 stort de eerste halve Hof ten Hove, ook genoemd de Kapelhof, gelegen bij de kapel ruïne, midden in de nacht in. De kapelruïne is evenals alle vroegere Marienweerdse goederen lange tijd bezit geweest van de Domeinen. Sinds kort is zij in het bezit gekomen van de gemeente (Mill ca) en wordt de eerste aanzet tot conservering gegeven . Op 21 oktober 1922 waren enkele werklieden van het Kroondomein bezig met enige restauratie van het nog bestaande overschot der kapel. Zij vonden daar een geraamte onder de vloer, dat nog geheel gaaf was. Hierbij troffen zij aan een medaille van de Heilige Franciscus van Sales. Op het skelet werd een nog onverteerd scapulier gevonden. De omtrekken van een Maria afbeelding, het kroontje en zelfs het gelaat van de Heilige Maagd waren goed te onderscheiden. De zijkanten die met zilverdraad bewerkt schijnen, lopen naar elkaar toe, zodat de bovenkant smaller is dan de onderkant, afwijkend van het later algemeen gebruikte model.
Ook werd in de nabijheid van het graf een munt gevonden uit 1629 met het wapen van de Hertog van Brabant. Niemand had ooit van de aanwezigheid van een graf in de ruïne gehoord. In overleg met de burgemeester werd op last van de Heer Montenberg, rentmeester der Domeinen het graf gefotografeerd en weer ingemetseld. De gevonden voorwerpen in aanmerking genomen oordeelde men, dat het geraamte van een priester was.
De hoofdadministratie van de Kroondomeinen te Den Haag stond de gevonden voorwerpen af aan het museum van de paters Karmelieten te Boxmeer, in de veronderstelling, dat men hier te doen had met het stoffelijk overblijfsel van een Karmelieten pastoor, die tussen 1659-1663 de parochie bediend had, namelijk van Pater Angelus a Matre Dolorosa Schepers, pastoor van 1661-1663. De Karmelieten, grote bevorderaars van de Mariadevotie, stelden er een eer in Maria's kleed te dragen. Een verdere reden tot deze schenking was misschien het vinden van de medaille van Franciscus van Sales. Deze heilige werd echter pas in 1665 heilig verklaard en vanwege de gebrekkige communicatiemiddelen in die tijd zal zijn verering hier wel niet bekend geweest zijn.
Men heeft ook gedacht aan de laatste beneficiant van de kapel, Wouter Baer. Deze werd echter in 1649 pastoor te Escharen en heeft toen zijn beneficiant schap moeten laten varen. Het moet toch als onwaarschijnlijk geacht worden, dat deze Wouter van Baer in het geheim, we leven in de tijd der onderdrukking van de katholieken, hier zou zijn begraven. De kapel was toen zeker in handen van de protestanten of gesloten en het doen en laten van de katholieken werd fanatiek bespied.
Met zekerheid kan worden aangenomen, dat het geraamte is van pastoor Heuvelmans, Norbertijn van de abdij Postel, gestorven en begraven in Mill in 1684, of van zijn opvolger pastoor Tielen, van dezelfde abdij, gestorven en begraven te Mill in 1704.
In 1672 krijgen we de inval van de Fransen. Deze gebeurtenis brengt meer vrijheid voor de katholieken en de durf der katholieken zou er de oorzaak van kunnen zijn, dat een begrafenis in het geheim plaats vond. De pastoor Heuvelmans en Tielen kwamen uit België, van waaruit zij de devotie tot de Heilige Franciscus van Sales misschien meebrachten, of hadden leren kennen door de komst van de Franse troepen naar deze streken.
Het feit dat het geraamte een gaaf gebit bezat wettigt de veronderstelling, dat wij hier te doen hebben met een man van middelbare leeftijd. Pastoor Heuvelmans werd 43 jaar en pastoor Tielen 49 jaar. De derde pastoor van Postel, pastoor Daems werd 62 jaar en de daarop volgende stierven niet in Mill. Van de Postelse kapelaans stierf er geen enkele in Mill.

Bovendien staan ook de Norbertijnen bekend voor hun Mariaverering. De legende, dat de stoffelijke resten afkomstig zouden zijn van een hier begraven adellijke dame, die hier vermoord zou zijn, kan wel naar het rijk der fabelen verwezen worden. Ter completering wordt deze legende hierna beschreven. Een andere legende over een wandelend Mariabeeld heeft misschien wel enige grond. Een feit is, dat de inwoners van Mill, Maria ten Hove op een bijzondere wijze vereerden tot in het eerste begin van de 20ste eeuw.
Ook vertelt een verslag van een kerkvisitatie uit 1672, dat in de parochiekerk een miraculeus beeldje stond , afkomstig van de kapel van de Heilige Maagd Maria ten Haefft ( ten Hove). Dit verslag deelt ook mee, dat reeds in dit jaar de kapel volkomen open, leeg en zonder vensters was. De sacramentsprocessie was daar op dinsdag na Pasen.
In de maand maart 1976 werden bij opgravingen in de kapel nog een zestal munten gevonden uit de 17de en 18de eeuw. Het in 1922 opgegraven skelet werd door de gemeente in bewaring genomen.

munten_gevonden_bij_kapel_ten_hove.jpg
Muntjes gevonden bij de opgraving in 1976.

LEGENDE VAN DE KAPELRUÏNE
Het gebeurde in de elfde eeuw onzer christelijke jaartelling. Toen woonde hier een vrome monnik, die de kleine kapel bediende, door zijn vader, een machtig ridder gesticht, om God verzoening te vragen voor een manslag, die hij eenmaal in drift had begaan. Op enige afstand lag een klein dorp rond een trots kasteel en de brave dorpelingen kwamen trouw ter kerke en deelden de arme kluizenaar, die hun een vader en vriend was, mede van het weinige, dat zij bezaten. Daar geschiedde het, dat in het midden van een donkere novembernacht, dreunende slagen klonken op de deur der kleine kluizenaarswoning die die paalde aan de kerk. De monnik verliet haastig zijn legerstede in de mening , dat een arme zieke zijn bijstand behoefde. Doch nauwelijks had hij de grendels der eiken deur teruggeschoven of een forse trap deed haar openvliegen en twee ijzer geharnaste ridders , het helmvizier gesloten, traden binnen.
Schaf licht , gij monnik! schreeuwde de grootste der twee de bevende priester toe, en zijn taal verried, dat hij niet was uit de Brabantse gewesten. Schaf licht, wij willen u spreken.
Sidderend ontstak de monnik een kaars en de ridder, die het eerst gesproken had vervolgde:Zijt gij bereid, vrome Vader, op dit ogenblik een huwelijk te voltrekken? De ontstelde priester antwoordde, dat dit onmogelijk ging, daar zoiets in de kerk moest geschieden en hij eerst de bruid en bruidegom, benevens de familie diende gesproken te hebben. Doch de ridder trok zijn zwaard en terwijl het lemmet blonk in het flikkerend kaarslicht sprak hij:Bruid en bruidegom liggen reeds geknield voor het altaar in uwe kek en tenzij gij bereid zijt dadelijk het huwelijk tussen hen beiden in te zegenen, zonder hun ook maar een enkele vraag te stellen naar herkomst en geloof, jaag ik u dit zwaard door de keel

Meer dood dan levend volgde de ongelukkige monnik zijn begeleider naar de kerk en ziet honderden waskaarsen schitteren op altaar en uitnissen. Wierook brandde in gulden schalen, de kerk was met wapenen gevuld en voor het hoogaltaar ontwaarde hij een geopend graf. Nauwelijks had hij zich met zijn priestergewaden bekleed, of een jongeman in prachtig zijden gewaad, de fulpen mantel om de schouders, trad naar voren knielde neer op een der met goud doorstikte kussens, welke gereed lagen aan de altaar voet, en naast hem knielde een jonge maagd, zo schoon, zo rein, als nimmer zijn ogen zagen. Doch de blos, die anders bruiden siert, was geweken van haar wangen en de ganse plechtigheid scheen voor haar eer een uitvaart te zijn, dan een vrolijk bruiloftskleed. Maar achter die schone bruid stond een oude vrouw, oud en hoekig en tanig, een ware heksen gestalte met een triomferende grijnslach om de scherpe brede mond. Zij hield onafgebroken de blik op het bruidspaar gevestigd en het was of de arme bruid de vonken voelde welke de ogen schoten, zo kromp ze ineen onder die blik.
De bruidegom heet Theobald en de bruid Adelheid, doe nu uw plicht, sprak de man met het blote zwaard, die de priester steeds bijgebleven was. En de monnik vroeg de geknielde edelman of hij zijn bruid tot vrouw begeerde, waarop een koud -ja- klonk, dat hol en lang weergalmde door de gewelven der kapel. Toen richtte hij dezelfde vraag tot Adelheid en terwijl de duivelse ogen der heks vuurstralen schoten in de richting der jonge maagd, snikte deze krampachtig het toestemmende woord uit, en viel dan met een ijselijke gil, die lang natrilde in de stilte van het heiligdom bewusteloos in de van de verschrikkelijke vrouw, wier demonische haat, dat was de priester duidelijk, het ongelukkige meisje tot deze stap gedwongen had.
Men blinddoekte vervolgens de priester, bond hem handen en voeten en legde hem neder voor de deur zijner woning. Daar werd hij gevonden door de dorpelingen, die bij het eerste morgenkrieken, alvorens hun zware dagtaak te beginnen, Hem kwamen loven, van Wie alle zegen komen moet. Zij verlosten hem. Hij ijlde naar de kerk, doch deze was gesloten en in de verte zag men over de grauwe heide een wegtrekkend heir van wapende mannen. Haastig poogde men de zware deuren open te breken, doch het massieve eikenhout en de stevige scharnieren boden lang weerstand aan hamer en bijlslag en wanneer ze eindelijk krakend bezweek, stormde de priester naar binnen en zocht vol ontzetting het graf, dat hij in die verschrikkelijke nacht gezien had. Echter het was gesloten en slecht de losliggende zerken wezen op de plek, waar het treurspel, waarin hij zijn gedwongen rol gespeeld had, geeindigd was.
Rappe handen wentelden de zerken vlug weg, vlugge spaden openden de grond en weldra stiet het blanke ijzer met doffe stoot op het deksel ener kist, welke het geheim van die nacht misschien ontsluieren kon. Ontroerd gaf de monnik bevel de doodskist te openen en daar lag zij, de schone bruid, welke hij gezien had toen zij huiverend knielde naast de man, die wellicht haar beul zou zijn , wier hartverscheurende gil nog naklonk in zijn oren, toen zij na het al beslissende -Ja- neerzonk in de armen dier onbeschrijfelijke vrouw, wier onschuldig wraakoffer zij blijkbaar geweest was . En zij laag daar, schoon en heerlijk, de bruidskrans nog om het blanke voorhoofd, de berusting op het marmerbleek gelaat en een flauwe glimlach om de lippen, als wilde zij de bevrijder van de aardse weeën welkom toeroepen, de bevrijder, die ons allen eenmaal tegemoet treden zal, doch wiens koude hand, de meeste mensenkinderen slechts met afgrijzen drukken. Dan verhaalde de monnik, wat er geschied was in de sombere herfstnacht, sprenkelde wijwater over de lijkkist en terwijl hij met zijn kudde gebeden opzond tot de goede God voor de ongelukkige jonkvrouw, werd de kuil wederom gedicht; de zerken herkregen hun plaats en met de dode bleef het geheim begraven dezer bruid van de dood.

tekening_van_Jan_de_Beyer_1743.jpg
Tekening Jan de Beijer aano 1743 van de ruïne O.L. Vrouw ten Hove