Boer zonder land uit de Brabantse almanak van 1949



BOER ZONDER LAND, een vertelling door Kees Lauwers. Brabantse Almanak 1949

Loodzware mist valt over het wijde land en hult plots alle dingen in eenzaamheid. Geert Wijnands ziet op van zijn arbeid , zo ineens is de grijsheid om hem heen gekomen. Zijn akker is nauwelijks enkele meters groot nu. Een schorre vreemde kreet van een in de mist verdoolde vogel vergroot zijn alleenheid. De man voelt hoe de wereld van een benauwende kleinheid wordt Hij draalt niet langer, gaart zijn gerei bijeen en gaat naar huis. Daar hebben zij het licht ontstoken en over het het horretje kijkt zijn vrouw naar hem uit. Ook zij voelt de benauwenis die er plots gekomen is over de aarde. Of is het misschien om het leven, dat klopt en dat zij weldra toegang schenken zal; de innigheid, waarmee zij dat leven voelt, wordt groter naarmate het uitzicht geringer.
Zij veert op, als zij haar man ziet komen; niet van ver, maar ineens staat hij voor haar. Hij groet met de hand en zegt: Ik ga eerst nog even naar de stal.
Zij lacht, dat het goed is en zij hem wacht. Hij reddert wat op de voorstal , zegt hier en daar een goed woord tot een dier en gaat dan naar binnen, blij uit die benauwde grijsheid te kunnen. In huis is de warme goedheid van vuur en vrouw. Zij schikken aan tafel en eten. Buiten is de wereld verloren en de sterren spiegelen zich deze herfstnacht niet in het water der aarde. Doch in de ogen der vrouw spiegelt zich een licht van blij verwachten. Later op de avond als ze stil bijeen zitten, het vee die dag voor 't laatst is verzorgd zegt de vrouw: Het zal nu niet lang meer duren Geert. Hij antwoordt hierop niet. Wat zou hij ook? Zijn ogen gaan even strelend over haar. Hij klopt zijn pijp uit en peutert wat in de kachel.
Het zal een zoon zijn zegt de vrouw dan. Ja, lacht hij vragend Een zoon ? Hij zal mij kunnen helpen. Veel is er nog te doen. Bunders en bunders grond wachten nog op ontginning. Zij ziet naar hem op, verwonderd over deze verre gedachten. Buiten vallen blaren zwaar van mist naar de aarde. Geruisloos is de nacht over de wereld. Maar in de kleine wereld van kamer en bed is een nieuw, een nieuwe vrucht in late herfst.

Zo heeft boer Wijnands zijn eerste zoon. Ze noemen hen Frans naar Geerts vader. De herfst schuift naar de winter en in het kleine domein van het gezin is de durende zorg van moeder om het jonge leven en de schone van geluk vervulde onhandigheid van de vader.
Zodra de lente onweerstaanbaar dood en dorheid verdrijft, de aarde openbloeit in nieuw leven, gaat Geert Wijnands uit om te zien welk land hij zal pakken en tot vruchtbaarheid brengen. Het land is wijd en de wazige horizon verdoezelt het einde. Geert ziet rond over de zon bevangen wereld en weet niet, waar hij gaan zal, hier of ginder; en groot zijn de schreden, waarmee hij het nieuwe land meet. Te groot wordt misschien zijn land, maar op deze dag, die als een jubel over de wereld staat voelt Wijnands zich machtig. En dan de zomer, de rijpende zon, de schone oogst, in huis de nieuwe verwachting.
Naarmate de zomer in de herfst verglijdt, lijkt het Geert, of het land dat klaar ligt voor de ontginning , steeds weer groter wordt. Hij neemt het kleiner en nog eens kleiner. De grond is hard en stug en slechts veel en zwaar geploeter zal hem volwaardig maken.
Nog voor boer Wijnands het eerste koren op ziet schieten tot vrucht, wordt in zijn woning een nieuwe vrucht geboren en draagt men zijn tweede zoon ten doop. Opnieuw paalt hij land uit voor ontginning, minder nog dan de eerste maal. Het moet: twee zonen heeft hij nu. Twee zonen , God zij gedankt. Het werk gaat door, al is het soms zwaar voor een man en moet er opeens alles te gelijk gebeuren.
Maar Geert Wijnands is taai, taai als de grond, waarin hij wroet. Hij werkt, ziet niet op, tenzij soms 'n keer om de uitgestrektheid van z'n land te meten met zijn ogen. Niet lang echter, want de dagen zijn kort en de jaren maar een luttel langer. De seizoenen glijden voorbij in eendere gang, er is licht en donkerte, er is een tijd van zaaien en een van oogsten. Er is vreugde om het leven, en angst en verdriet om 'n nabije dood.
Boer Wijnands telt de jaren niet meer. Hij werkt en bidt en God is hem genadig. Het getal zijnen zonen vermeerdert, maar hij paalt geen landmeer uit. Er zijn grenzen. Wat nog woest was rond zijn akkers is ontgonnen door andere boeren. Hij kan hun dit niet kwalijk nemen, ze hebben gelijke rechten. Ook zij hebben zoons, die later boer willen zijn. Hij weet nu, hoever zijn arbeid strekt en ook dat er gauw hulp moet komen, wil hij behoorlijk behouden wat hij nu heeft. Hij schat soms met zijn ogen de grootte en kracht van zijn opgroeiende jongens, die geluid en durend leven in huis hebben gebracht. Zijn vrouw is daartussen als de goede moeder, zij regelt en zorgt en weet de dagen lang en zwaar evenals hij. Maar steeds is er er blijheid in haar ogen en het doet Geert goed, 's avonds stil naar haar doening te zien en te voelen, dat zijn leven goed en zinvol is. Zij werken samen met God, die de aarde schiep, welke zij bewerken. Hij gaf hun kinderen; zij leiden die in Zijn spoor. Frans is nu nu al zestien en goed voor een volwassen knecht. Voor dat Geert het weet, heeft hij twee, drie zoons naast zich. Het werk wordt lichter en de oogsten schoner. Soms ziet Wijnands verwonderd naar zijn zonen. Nu al? Hoe kort was de spanne tijds, het uitpalen van de grond voor de ontginning en nu. Nu bewerkt diezelfde zoon reeds die grond. Het lijkt Geert, of de jaren in een steeds snellere gang voorbij schuiven. En op een herfstdag die triest verloren drijft in de mist en de jongens het huis vol jong en overmoedig geluid slaan, komt er in Geerts gedachten een vreemde hulpeloosheid. Hij weet niet, vanwaar het komt is het de herinnering aan de grijze dag, toen hij zijn eerste zoon geboren ging worden, of omdat de wereld vandaag weer zo klein is? Maar voor het eerst vraagt hij zich af: Hoe groot is m'n land?
Als ze voor het middageten aan tafel zitten, kijkt hij rond. Zes zonen heeft hij nu. De jongste is nog maar twaalf, maar hoe vlug gaan de jaren. Boven de druk op en neer gaande stemmen der jongens is de stem van hem: Hoeveel land?
Zijn zwijgzaamheid valt de jongens niet op. Alleen zijn vrouw, die meer van hem weet, voelt het. Zij kijkt hem zo nu en dan aan, maar vraagt niet. Nadien als ze alleen in de keuken zijn, zegt ze: Wat zijt ge stil vandaag, Geert.
Hij ziet haar aan en lacht: Gij zijt nog steeds dezelfde, zegt hij.
In de namiddag sluipt hij stil weg, alsof hij bang is dat iemand hem zien zal. Hij gaat naar zijn land en treedt het af. De mist is goed nu, hij kan niet ver vooruit zien. Hoeveel land kan er nog liggen achter de kleine gezichtskring? Hij gaat tot het einde, staat dan even stil voor zichzelf te rekenen en treedt opnieuw. Nee hij vergist zich niet. Zo groot is zijn land en geen span groter. Zijn gezicht, nat van mist, krijgt grauwe lijnen. Hij staat daar groot en fors en langzaam komt er een knak in zijn lichaam. Hij buigt zich onbewust.
Tussen licht en donker komt hij terug in huis. Op de vraag, waar hij was, mompelt hij maar wat. Hij zoekt zijn armstoel op en schuift naar het vuur. In zij gedachten dansen de getallen. Ongemerkt gaat hij aan het twijfelen, tegen beter weten in. Morgen zal hij opnieuw gaan als het licht is en de mist het uitzicht niet belemmert.
Zo gaat hij bij licht en telt zijn schreden. Zijn land wordt kleiner naarmate zijn zoons groter worden. Allen willen zij boer worden, zoals vader boer is. Hij weerspreekt hen niet, noch zegt hij hun zijn angst. Geert weet, hoe het staat: nergens in de omtrek is grond noch boerderij te koop of te pacht. Ieder boerenbedrijf heeft liefhebbers genoeg in eigen kring. In zijn gedachten krimpt de wereld tot de krimpende kleinheid van een gevangeniscel.

Boer Wijnands die een open vrolijke kerel was, wordt stil en somber. Een is er slechts, die vermoedt, wat hem schort. Die de radeloosheid bemerkt, welke er soms in zijn ogen komt, als hij zijn jongens beziet. Hoe moet zij hem helpen?
Er komt een nacht, waarin boer Wijnands moe en slapeloos zijn bed uitsluipt, zich aankleedt en naar buitengaat. Zijn vrouw volgt hem. Hij gaat naar zijn akkers waar de hoge rogge blauw blinkend te golven staat in het maanlicht. Geert laat zijn hand strelend over de rogge gaan en mompelt wat in zichzelf. Nu treedt zijn vrouw op hem toe. Hij schrikt, maar spreekt niet, wil alleen haar blik ontwijken die hulpeloos vragend hem aanziet. Hij kan het niet in deze intimiteit van de nacht en spreekt voor haar uit wat hem steeds weer benauwt: z'n land z'n kleine land en z'n grote zoons die allen boer willen worden als hij. Hoe kan dat?
Het land is nauwelijks groot genoeg voor twee en ik kon niet meer.....
Nee, je deed wat je kon, zegt zij.
Niet genoeg, mompelt hij weer. Hij vergeet de aanwezigheid van zijn vrouw en vloekt zacht voor zich heen. Dan begint hij weer met grote passen langs zijn akkers te treden. Zij roept hem terug: Geert!. Meent zij het maar of schrikt hij van haar stem? Hij staakt zijn gang en streelt het koren. Rond hen is de zachte vroeg zomernacht het fluisteren der peppels langs de wegkant. Geert kom we gaan naar huis, wat kunnen we hier doen? We moeten een andere oplossing zoeken. Wat niet kan, dat niet moet.
Hij antwoordt niet op haar woorden, wezenloos loopt hij naast haar en mompelt: Boer willen ze worden en dat is goed. Boer zonder land. Hij lacht sarcastisch. Zij trekt hem aan de arm, geschrokken om de vreemde toon in zijn lach. Niet zo, Geert, niet zo.
Ze staan stil, kijken elkaar aan. In Geerts ogen is iets wat ze nooit eerder zag. In het zachte licht, dat alles teer omhuivert, gaan twee mensen met zorgen om de kleine wereld.

De zomer is nog maar nauwelijks volwassen, als de herfst zich meldt. Wijnands is de laatste tijd sterk veranderd: hij werkt niet meer, laat alles aan de jongens over. Zijn vrouw weet, dat dit niet goed is, maar ze kent geen remedie. Ze laat hem stil begaan. Hij spreekt niet veel, toont geen interesse voor het werk. Alleen als de jongens wat fel kibbelen om een of ander de boerderij betreffend , spreekt hij er kort doorheen. Soms ziet zijn vrouw, hoe hij bidt, maar dan plots zijn rozenkrans weer opbergt en zich rillend voorover buigt naar het vuur. Zijn land wordt hem een obsessie.
Het gaat niet goed met Geert Wijnands. Op een achtermiddag, als hij weer zo ingedoken zit in zijn zetel, roept hij opeens zijn jongste zoon bij zich. Schoorvoetend kom de jongen naderbij. Hij is niet meer gewend, dat zijn vader tot hem spreekt.
Kom hier eens bij me zitten, jongen, ik moet je wat vragen. Ze zijn alleen, de andere werken en moeder is doende in het washok. Even is het dan stil, alsof de boer zijn woorden wikt, dan zegt hij: Vertel me Roel jongen, wat wil je worden. Verwonderd ziet de jongen hem aan en dan zonder aarzelen: Boer, als gij, vader.
Een schelle honende lach snijdt door de stilte van het huis. Geschrokken veert Roel recht en gaat, met angst zijn vader aanstarend, achterwaarts de keuken uit. Buiten gekomen rept hij zich naar moeder en vertelt. Deze, gebukt over een mand met wasgoed, verstijft. "Wat?" vraagt ze, wat deed hij?
Ze wacht geen antwoord, spoedt zich naar binnen. Geert zit gewoonte getrouw gebogen naar de kachel, alsof hij geen sprankje warmte wil missen. Wat is er Geert, toe zeg me wat er is. Hij kijkt haar aan , onbewogen even althans. Dan zegt hij opeens heel zijn hulpeloosheid uit. Hoe hij het niet kroppen kan, dat zijn zoons, die hij met vreugde zag opgroeien tot de flinkste boerenzoons uit de omtrek, straks naar de fabriek zullen moeten, omdat hun Vader hen geen land kan geven. Dit kan niet. kreunt hij: dit kan niet. En dan schreeuwt hij luid: Boer zullen zij zijn! Boer ! Het moet en het zal!.
Boer zullen zij zijn. Voor de volgende herfst zijn vier van zijn zoons vertrokken naar Canada. Het vertrek van zijn jongens deed Geert zeer, maar het bracht ook een rust over hem. En terwijl hij nu, voor het raam staand, naar buiten kijkt in de mistige vooravond, waar zijn twee zoons nog doende zijn, mompelt hij met trots in zijn stem "En boer zullen zij zijn Z'n vrouw, die de zachte woorden verstond en op de eerste plaats vrouw en moeder is, zegt: En God is overal.