Toponiemen/Straatnamen/Gebouwen

PLAATSNAMEN, GEHUCHTEN, VELDNAMEN EN TOPONYMEN.

Lezing door de heer A. Claassens, de dato ?
De plaatsnaam, die direct in het oog springt, als men een oude kaart van onze streek bekijkt is de PEEL, de polude of palus, namen die een immens moeras aangeven. Het moet wel tot de verbeelding van de mensen hebben gesproken. Een moeras, gelegen op een hoogvlakte; het had verticaal doorgesneden, de vorm van een grote kom, waarbinnen zich een een verrotte plantenmassa bevond, het veen, omringd door een harde zandkorst.
Je moet het zien als een spons, veel water opnemend, vooral regenwater, die op zijn plaats werd gehouden door hard geworden gesteente, ijzeroersteen of broeksteen genoemd. Uit de Peel kronkelde wat kleine beekjes, via lagergelegen gronden richting Maas. De plantaardige veenspons absorbeerde het hemelwater totdat een regenbuitje voldoende was om te fungeren als de bekende druppel, die de emmer deed overlopen. Dan ontstond er een vloed en werd via het normaal sijpelend beekje een grote stroom water afgevoerd bomen en gewassen en vooral veel moersteen met zich meesleurend. Zo zie je aan alle kanten van de Peel, plaatsen (toponymen) ontstaan, die de Vloed heten. Vanwege steeds weer die bedreiging, die plotselinge actie kreeg de Peel de naam van geheimzinnigheid. Er liepen wat paadjes door heen, maat dikwijls keerden de mensen, die zo goed de weg wisten, toch niet terug. Een stap, die je op een vermeende harde riggel grond , verkeerd zette, sleurde je mee in het moeras en er was geen redding meer mogelijk.
Wat nu het peelkanaal of defensiekanaal heet, noem de men vroeger de Kerksebeek, Heulbeek en voorbij de Royendijk: de Rodebeek. Het gehucht, de Royendijk, is een van de oudste delen van Mill. Wanneer Heer Jan van Cuyk in 1361 in een acte de grenzen aangeeft en daarmee de eigendommen bevestigd van de Abdij Marienweerd, dan wordt de Roedendycke al met name genoemd. Ter plaatse voorkomend rood-ijzerhoudend moersteen, gebruikt voor het opwerpen van een dijk tegen het wassende water van Peel en Maas, zal wel voor de benaming hebben gezorgd. De Royendijk had een aparte status; samen met die Voordycke, de Veesteegh en die Brugghen, vormde het een op zich staande gemeenschap. Er was in de 19de eeuw al behoorlijk wat nijverheid. Een linnenwever, klompenmaker en timmerbedrijf waren er gevestigd. Daar kwam later een schoenmaker bij, een café met een beugelbaan en een winkeltje. Ook komen hier de oudste veldnamen voor: Swaluwstraat, Heul en de Gheer zoals onderstaande situatie tekening aangeeft. De Millenaren, zijn altijd sterk geweest in het verbasteren van namen. Zo ook hier weer de Veesteegh, momenteel als Vissteeg aangegeven, was vroeger een karweg, aan weerzijden sloten met kreupelhout, waarin men vee opdreef, wanneer de Beerse Maas plotseling kwam opzetten. Zo noemde men de Voordijk spottend de Bedelaarsweg, omdat dit de directe binnendoor verbinding was over Tongelaar naar Grave. In de buurt lag ook het Houtduivenbos, niet verwonderlijk door in de volksmond her vernoemd in Houtdievenbos. Aan de Krommendijk, een gehucht met eenzijdige lintbebouwing, liggen een aantal oude boerderijen.
Hier woonden de Langhen,s, waarover al in1661 een acte voor schout en schepenen werd opgenomen. De Horst was een pad, dat de Krommendijk rechtstreeks verbond met de gemene Straat en via Hoogveld en Molenpad met het centrum van Mill. Het zuidelijk gedeelte van de Horst heette het Croefenland. Achter de Krommendijk begint Het Hollander Broek een uitgestrekt gebied, het stroomgebied van de lage Raam; van het Wanroyse Broek tot Tongelaar, aan de westkant opgesloten door de Vorstendijk en Achterdijk.
In de winter stond dit gebied geheel onder water, als gevolg van de overstroming door de Beerse Maas. Deze ontstond door een opzettelijke verlaging in de winterdijk van de Maas, waardoor tussen Gassel en Beers een uitstroming kon plaatshebben. Soms kwam het water zo hoog aan de Achterdijk te staan dat een dijkdoorbraak het gevolg was. Dan moesten de Voordijk en de Groenendijk het water keren. Meerdere keren heeft de Beerse Maas aan de Gemene Straat ( Karstraat-Schoolstraat-Wanroyse weg) gestaan.
Als Floris de Zwarte, broer van Dirk VI graaf van Holland, zijn oog laat vallen op Heylwig, de dochter van Aleydis van Cuyk, moet hij dit in 1133 met de dood bekopen. Oom Herman, heer van Cuyk, trekt ten strijde en verslaat de Hollanders bij Abstede. De dood van een Graaf van Holland en nog wel een neef van Keizer Lotharius III, brengt binnen de adel nogal wat opschudding te weeg. Dirk VI, die zich gesteund voelt door de Keizer, gaat op strafexpeditie naar het Zuiden en verwoest het Land van Cuyk totaal. Ook het Kasteel van Cuyk wordt de grond gelijk gemaakt. De Heren van Cuyk, Herman en Godfried worden van hun rechten vervallen verklaard en verbannen. Dat alles gebeurde in 1136. Waarschijnlijk hebben de Hollanders toch spijt gekregen van hun drastische ruinering in het land van Cuyk en hebben dit trachten goed te maken, door een gedeelte van ons gebied te ontwateren. Zij brachten de ervaring mee. In hun gebied, Holland, deden ze niet anders. En zo komt, door een liefdestragedie, het Hollander Broek aan zijn naam. Deze polder krijgt later een eigen Schepenbank, waarbij de Heymraden door de aanliggende eigenaren en pachters rechtstreeks worden gekozen. Vermeldenswaard is nog dat de Heren van Cuyk geluk hebben, dat de Keizer in 1137 overlijdt, en zijn opvolger de wraakactie vergeet. Zij keren terug naar hun gebied, het rijksleen en bouwen een nieuw kasteel te...Grave ( 850 jaar geleden ).
Een typische toponiem is wel de benaming van Het Hiepke, een perceel grond van Jan van den Hoek in de Vorstendijk (Vorsendijk, Beerseweg). We vervolgen onze weg langs weg langs de Kolkweg, vroeger genaamd De Brakken, waar de Baronsloot langs liep. Aan de Voordijk , worden de huizen, hoe dichter men St. Hubert naderde, steeds maar groter, mooier en voornamer.
Is het een wonder, dat men hier gewaagde te spreken van de Miljoenenstraat? In oude stukken spreekt men niet van de Voort en de Voortsestraat, hier was duidelijk bedoeld de voorste boerderij, de eerste Bouwhof, die men komende van Haps in St. Hubert aantrof.
Dit is het enige stuk Mill, dat op een Tranchot kaart staat aangegeven. Daarom willen wij u een afbeelding hiervan niet onthouden.
In het IJzer broek lagen de eigendommen van de familie Pieck. Ook de roemruchte Hanzebank met zijn ijverige directeur Martinus Verberk , geboortig van Sint Hubert , had hier onroerende belangen. Na het debacle van de jaren twintig neemt Van Lanschot de boedel over. Aan Den Berg, waar weer een Roode beek stroomt, schijnt op de grens van St. Hubert en Wanroy een herberg De Roskam gestaan te hebben.
Van Sint Hubert naar de Peel, liep de weg van Peter Ebben, scheper aan het eind van de 18de eeuw. Zijn zoon Jan Ebben zal in 1834 midden op de woeste heidevlakte 3 huisjes bouwen voor de noeste peelwerkers en hun gezinnen. In 1847 bouwt Jan van Straelen uit Boekel het huis op de kruising Mill/Uden-Zeeland/Boekel, wat later de Peelpoort wordt genoemd.
Aan het eind van de 19de eeuw was dit huis van de Peelboer, waar 's winters een herberg werd gehouden.
Op Wilbertoords gebied werden de eerste huizen gebouwd aan Den Tip in de zogenaamde Barendonksepeel. Verder was hier de Peel verdeeld in:
Ammans, een stuk, waar de turf voor de Ambtman van het Land van Cuyk werd gestoken. In de Allemans peel kon kon iedereen terecht, dit moet eerder de naam hebben gehad van de Seltenpeel. Ook de inwoners van Katwijk, hadden een stuk uit de boedel van de Heren van Cuyk overgehouden, de zogenaamde Katwijkse Peel. Over de Princepeel is al zoveel bekend en geschreven dat daar over niet weer behoeft te worden uitgeweid.
De Schurft, wellicht een braak liggend stuk grond, somwijlen nat, dan weer half opdrogend, een beetje ijzerhoudend rood gekleurd, je kunt het je zo voor de geest halen. Schelven, losse plakken aaneenklevend zand. Het moet er als schurft hebben uitgezien. En het is goed dat het gemeentebestuur de ontsluitingsweg door de Schurft heeft omgedoopt in Verbindingsweg. Hoewel...als men het boven de grote rivieren over Brabant had, uitte men zich in vroeger dagen minder vleiend, zoals onderstaand gedeelte van een versje weergeeft;

...een verrot raemke en een schurftig schaepke
ende dat stuyvende sand,
dat sien die heeren van brabant........


Via Kavelt, wat eertijds ook wel Diependaal genoemd werd, en thans door de aanwezigheid van het huidige kerkhof een andere diepere betekenis heeft gekregen, komen we in het Grootven, het nieuwe St. Hubert. Ook Klein Ven ligt hier en wel in de richting van Het Mullegat.
Een zeer oud toponiem, voorkomend eind 16de eeuw is Die Coxbeecke, gelegen tegen over de huidige Koksebeek, in de hof van de familie Reijnen. In de goederenlijst van Ludolph de Quay komt deze naam samen met Den Schettert en de Swaluwsteert als verpachte eigendommen voor.

Ter afsluiting nog een gedicht of vers van een onbekende dichter alsmede onbekend jaartal.

Het was 2 december van het jaar....
de bankverpachting was weer daar
en Hanneke Kus vlug ter been....
spoedde zich naar den tempel heen.

Daar zit zij nu naast Jan Water
bij de biechtstoel van de pater....
ook Van Wees zit aan haar zij....
met een heerlijk luchtje erbij.



TOPONIEMEN SCHEPENBANK MILL

Inleiding
Bij de archiefdienst beschikt men zo langzamerhand over een nog steeds groeiend kaartsysteem van toponymen of benamingen van stukken grond, wegen en wateren en soms huizen, die voorkomen op oude kaarten en staan vermeld in archiefstukken.
De meeste middeleeuwse bronnen zijn tot 1600 bewerkt, terwijl voor de 17e en 18e eeuw nog zeer veel gedaan moet worden. Hiervan vormt het fonds van de oude rechtelijke archieven wel de hoofdmoot. Ook kohieren, leggers en gewone archivalia bevatten nog menig toponiem dat opgespoord moet worden.
Vaak weten we van de oudste benamingen bij benadering niet, waar de percelen gelegen zouden kunnen hebben. Toch willen we een voorlopige poging wagen een overzicht te geven van de toponymen van het territorium van de schepenbank van Mill, wetende dat dit slechts een eerste aanzet is.

Toponymen schepenbank Mill
Dorpsgebieden en de jurisdictie van de Millse schepenbank dekken elkaar hier niet. De schepenbank van Mill, al voorkomend in 1349, besloeg tot in de Franse tijd het gebied van de dorpen Mill, Sint Hubert en Wanroij. De Langeboom en omgeving vielen onder de schepenbank van Escharen.
In de 18e eeuw viel zelfs het gehucht de Berkenbosch bij Ledeacker wel een onder de Millse schepenbank. Het Hollanderbroek, als heemraadschap stammend uit het begin van de 14e eeuw, lag als een apart rechtsgebied oostwaarts van Mill en Sint Hubert.
In de loop van de 17e eeuw blijft er van deze schepenbank slechts een waterschap over.
De dorpsgrenzen op zich zijn ook dikwijls vaag. Mogelijk behoorde het gebied van de kapel van Sint Hubert eerst tot Wanroij. In later tijd wordt bij het gehucht de Boer nog een stuk van Sint Hubert bij Wanroij gerekend. Ook de afpalingen tussen Mill en Sint Hubert is voor ons in de woeste gronden slecht te achterhalen.
De Princepeel kan tot Mill worden gerekend. Maar tot hoever peelwaarts strekte zich de heide van Sint Hubert uit?
Vanzelfsprekend is ons kaartsysteem ook hier bij lange na nog niet voltooid. We denken aan de schepenprotocollen van omtrent 1675 tot 1810, aan de 19e -eeuwse notariële archieven en aan menige andere collectie. Een kohier van taxatie van 1650, nog aangetroffen op de zolder van het oude Millse raadhuis, leverde nog vele namen op. Of de oudste kadastrale kaarten met Franse benamingen tot 1810 teruggaan blijft een vraag. De toponymen Vaardijk, Voordijk en Voortsedijk waren soms niet te ontwarren.
Strikte alfabetisering blijft een lastige zaak. Menige naam die niet te plaatsen was, is voorlopig maar bij Mill ondergebracht. Ook kunnen sommige Millse benamingen onder het Hollanderbroek thuis horen. Toch leek het ons nuttig alvast het resultaat van een voorlopige stand van zaken naar voren te brengen.
De Millse toponymen zijn als volgt onderverdeeld;
a. Het dorp Mill
b. Het dorp Sint Hubert
c. Het heemraadschap het Hollanderbroek
d. Het dorp Wanroij


Tot de toponymen vallende onder de schepenbank van Mill beperken wij ons tot het dorp Mill. Bij de onderstaande opgave heeft de middelste kolom betrekking op het jaar waarin het toponiem voor zover ons nu bekend voor het eerst wordt genoemd, terwijl de laatste kolom summier naar de bron verwijst. Varianten zijn meestal niet opgenomen.

top1.jpgtop2.jpgtop3.jpgtop4.jpgtop5.jpgtop6.jpgtop7.jpgtop8.jpgtop9.jpg

Bron; Archiefdienst Land van Cuijk ,
Streekarchivaris de heer A. Douma.